Evaluatie zes jaar strijd tegen Zwarte Piet

Sandew Hira
6-10-2017

Inleiding

Het is tijd voor een diepgaande evaluatie na zes jaar acties tegen Zwarte Piet. Op 12 november 2011 werd de eerste actie tegen Zwarte Piet tijdens een nationale intocht uitgevoerd door Quincy Gario en Kno’ Ledge Cesare door t-shirts te dragen met de tekst ‘Zwarte Piet is Racisme’. Ze werden gearresteerd voor het dragen van de t-shirts. Het heeft een maatschappelijke discussie ingeleid. In 2013 organiseerde de actiegroep Zwarte Piet Niet een dag voor de intocht in Amsterdam een demonstratie op het Beursplein. Nu ging het niet om twee individuen, maar om een organisatie en een hele groep demonstranten. In datzelfde jaar werd een Facebook petitie georganiseerd om Zwarte Piet te laten zoals het is: 2,1 miljoen mensen tekenden die petitie.

In 2014 gingen activisten georganiseerd en in een grote groep naar Gouda tijdens de nationale intocht. De massa-arrestaties hebben veel media-aandacht gekregen en de maatschappelijke discussie nog meer versterkt.

In 2015 gingen activisten georganiseerd naar Meppel, maar daar werd de demonstratie ingekapseld en mochten ze staan op een plek en hun leuzen roepen zonder dat er iets gebeurde.

In 2016 gingen activisten niet naar de nationale intocht in Maassluis, maar naar Rotterdam. Daar werd hun de toegang ontzegd en volgden opnieuw massa-arrestaties.

Intussen werd op brede schaal in de samenleving de discussie gevoerd over het racistische karakter van het Sinterklaasfeest. Documentaires, debatten, bijeenkomsten, artikelen werden hieraan gewijd.

Nu moeten we ons afvragen. Wat heeft dit allemaal opgeleverd en hoe gaat de anti-Zwarte Piet beweging verder?

Nieuwe sociale beweging tegen racisme

Sociale bewegingen ontwikkelingen zich als een golfbeweging, met op- en neergang. De opgang is meestal van korte duur. De Civil Rights Movement in Amerika beleefde haar hoogtepunt tussen 1954 en 1968.

Nederland heeft verschillende sociale bewegingen gekend: de vrouwenbeweging, de homobeweging, de studentenbeweging, de arbeidersbeweging. Ze hebben allemaal hun eigen golfbeweging. De nieuwe sociale beweging die met Zwarte Piet is ontstaan kunnen we het beste beoordelen als we het vergelijken met de sociale bewegingen van de jaren zeventig en tachtig in de gemeenschappen van kleur. In de eindjaren zeventig, begin jaren tachtig, waren er in de verschillende gemeenschappen van kleur actieve organisaties tegen racisme. Ze waren actief tegen racisme in Nederland, maar hadden ook bindingen met organisaties in hun land van herkomst. Ze hadden veelal een socialistische ideologie als basis. Hun leden waren eerste generatie migranten.

De nieuwe sociale beweging tegen racisme bestaat vooral uit jonge mensen van de tweede en derde generatie, die hier geboren en getogen zijn. Socialisme is niet meer hun narrative, maar een variatie van opvattingen van religie, liberalisme, decoloniaal denken, identiteit en een geloof in een nieuwe multiculturele samenleving met respect en waardigheid voor iedereen.

De anti-Zwarte Piet beweging heeft mensen uit verschillende gemeenschappen van kleur in beweging gebracht en geïnspireerd om hun identiteit vorm en inhoud te geven.

Het vraagstuk van eenheid, solidariteit en verscheidenheid

In iedere sociale beweging zijn er twee krachten die tegen elkaar kunnen inwerken: de kracht voor eenheid, samenwerking en solidariteit en de kracht voor de eigen identiteit, de overtuiging van de juistheid van de eigen analyse en strategie. Het is een grote  uitdaging om de positieve elementen van deze twee krachten te combineren om te voorkomen dat de negatieve elementen werken naar verdeeldheid en sektarisme. De uitdaging zit in het scheppen van een klimaat voor kritische discussie waarin alle meningen aan bod kunnen komen op basis van argumenten en analyse. Hiervoor is nodig dat mensen van uiteenlopende stromingen elkaar regelmatig ontmoeten in één ruimte (fysiek of digitaal) in de erkenning dat ze meningsverschillen hebben en dat juist de reden is om elkaar te ontmoeten in plaats van elkaar te ontwijken. De cultuur van het ontwijken van discussie en debat en alleen willen praten met mensen die het met je eens zijn, bevordert sektarisme en criminalisering van andere activisten die het niet met je eens zijn. Kritiek wordt dan snel gezien als een aanval op een persoon of organisatie in plaats van een bijdrage in discussies over moeilijke zaken van de sociale beweging.

De toekomst zal uitwijzen of deze nieuwe sociale beweging in staat is om met deze uitdaging op een zodanige manier om te gaan dat het de beweging verder omhoog stuwt.

Het vraagstuk van strategie

Een belangrijk onderdeel van de strategie is de jaarlijkse confrontatie met de landelijke Sinterklaas intocht. We moeten ons afvragen wat dat heeft opgeleverd.

De belangrijkste winst is dat er een nieuwe generatie activisten van kleur is die een eerste ervaring heeft met de confrontatie met de staat: geweld en arrestaties. Veel witte radicale activisten hebben die ervaring al gehad en weten daarmee om te gaan. De wijze waarop politie reageert op activisten van kleur is anders dan op witte activisten. Die reactie is harder. Dat is niet vreemd omdat racisme in de politie meespeelt in hun gedrag naar activisten.

Deze ervaring is – hoe gek het ook klinkt – in zekere zin positief. Activisten van kleur die een zekere vrees hadden voor de confrontatie met het geweldsapparaat van de staat leren om te gaan met die vrees.

Een tweede winst is het inzicht dat Zwarte Piet niet een op zichzelf staand verschijnsel is. Het gaat niet alleen om de figuur van Zwarte Piet bij de Sinterklaasviering. De acties bij de intocht worden verbonden met de oorzaken van racisme: de een zoekt die oorzaken in de persoonlijke interacties tussen mensen (alledaags racisme) en de ander in de werking van instituties (institutioneel racisme).

Een derde winst is dat de publieke confrontatie heeft geleid tot een scherpe maatschappelijke discussie waar miljoenen mensen bij betrokken zijn in de huiskamer, op het werk, in sportverenigingen en overal waar mensen elkaar ontmoeten.

Een vierde winst is dat andere gemeenschappen van kleur op hun eigen manier de discussie over Zwarte Piet koppelen aan racisme, inclusief culturele kaping, en islamofobie.

Zoals de sociale beweging leert van haar ervaring, zo geldt dat ook voor de andere kant: de witte macht. Bij delen van de witte samenleving begint het besef door te dringen dat Zwarte Piet moet verdwijnen. De staat heeft haar conclusie getrokken: ze gaat geen leidende rol spelen in het afschaffen van Zwarte Piet. Daarvoor is de macht van de sociale beweging nog te zwak. De nationale intochten leveren geen verrassingen meer op. De draaiboeken liggen klaar, zowel voor inkapseling (ga op een plek staan die we je aanwijzen, schreeuw de longen uit je lijf en ga daarna naar huis) als voor arrestatie (wie niet horen wil, moet voelen). Het is een miljoen keer gedaan bij andere sociale bewegingen.

De NTR, die een leidende rol speelt in de Sinterklaasviering, heeft een soortgelijke conclusie getrokken. Aanvankelijk leek ze onder druk van de sociale beweging te spelen met het idee van gekleurde Pieten, maar daar is ze nu van af gestapt volgens Willemijn Francissen, mediadirecteur van de NTR: “We laten onze oren niet hangen naar welke extreme groep dan ook… Maar we weten allemaal dat je zwart wordt als je door een schoorsteen gaat en dat is wat Pieten doen. Bij ons is zwart geen huidskleur, maar roet… Die hele discussie heeft het voor best veel mensen bijna verpest, ook voor programmamedewerkers.”

Focus op scholen, kinderen en gezinnen

De protesten bij de nationale intochten zullen gewoon doorgaan. Maar er zou ook een focus moeten zijn op de plek waar het feest het meest intensief gevoerd wordt: op scholen. Ouders, niet alleen ouders van kleur, zouden zich moeten verenigen en samen acties plannen op hun school en die acties in de publiciteit brengen. De school zou het nieuwe toneel van confrontatie moeten zijn. Daar zou de discussie moeten plaatsvinden. Dat vereist een andersoortige voorbereiding van de sociale beweging: hoe breng je ouders met elkaar in contact, welke acties werken wel en welke niet en waarom wel of niet, hoe kun je elkaar steunen, hoe kunnen activisten die geen kinderen op school hebben de ouders kunnen steunen. Wat op school kan, kan ook in een instelling of onderneming. De creativiteit van de sociale beweging moet zich ook richten op de werkplek en het klaslokaal. Er is de afgelopen jaren al ervaring opgedaan met deze strategie. Die ervaring zou meegenomen moeten worden in het ontwikkelen van deze focus.

Internationalisatie

Een tweede focus is internationalisatie. De periode in de aanloop naar 5 december biedt geweldig veel visueel materiaal om in het buitenland zichtbaar te maken hoe racistisch Nederland is. Als de NTR haar woord houdt, hoef je alleen al hun uitzendingen op te nemen en van Engelstalig commentaar te voorzien. Koppel dat aan de opkomst van extreem-rechts (Wilders is heel bekend in het buitenland) dan heb je twee ingrediënten om het ware gezicht van racistisch Nederland in het buitenland te tonen.

Ook hier zou de sociale beweging een gerichte organisatie of netwerk moeten opzetten om op systematische wijze het buitenland van informatie te voorzien met de simpele boodschap: protesteer tegen racisme in Nederland bij de Nederlandse ambassade, bij Nederlandse ondernemingen en instellingen die in het buitenland opereren. Laat men hun solidariteit tonen met de slachtoffers van racisme in Nederland. Klaag Nederland aan op internationale podia met de combinatie Wilders en Zwarte Piet.

Het vraagstuk van organisatie

Of dit zal werken hangt af van het vraagstuk van organisatie. De sociale beweging wordt gekenmerkt voor versplintering, leiderschapsissues, en een cultuur van verdeeldheid en onderlinge confrontatie in plaats van een cultuur van solidariteit en discussie.

Wat voor organisatie op te bouwen in de gemeenschappen van kleur, hoe de gemeenschappen van kleur met elkaar te verbinden, hoe de confrontatie aan te gaan met de witte macht, hoe de relatie met witte activisten te ontwikkelen. Dit zijn de belangrijke onderwerpen die de toekomst van de nieuwe sociale beweging zullen bepalen.

Drie evenementen over kritisch denken

Woensdag 25 oktober Brussel: Reparations

Het Festival des Libertés organiseert op 25 oktober een workshop over reparations. Sandew Hira zal een bijdrage leveren aan de workshops over de economische aspecten van reparations

Organisatie: Festival des Libertés

Datum: Woensdag 25 oktober van 18.00 uur.

Plaats: Théâtre National, Brussel

Toegang: gratis.

Facebook: https://www.facebook.com/events/1861779960504559

Donderdag 26 oktober Amsterdam: eerste deel van een serie over kritisch anti-imperialisme

Op 26 oktober begint de eerste aflevering van een serie van drie over critical anti-imperialism. De serie is in het Engels. De onderstaande informatie is dat ook.

While the term (anti-)imperialism is often associated with the Cold War era, in recent decades we have witnessed direct Western military intervention in Serbia, Haiti, Afghanistan, Iraq, Syria and Libya, and hear the war drums beating in places like Venezuela, Eastern Europe and North Korea. During these interventions, many Western-left political tendencies tried to balance their resentment towards Western national-corporate war machines with a disdain for what has been portrayed as “dictatorial regimes of the Third World”. Meanwhile, mainstream corporate media continues to justify Western interventions while leaving out critical analysis of imperialism, and sometimes lying about the actions of national governments.

In the Netherlands, anti-imperialism was an essential feature not only of the Communist Party but also of historical figures like Anton de Kom, Otto Huiswoud and Poncke Princen and Nelson Mandela. However, since the waning of the anti-war movement, the rich tradition of anti-imperialism has disappeared. As if pacifists and the left activists have been afraid to be identified with non-democratic political forces in the Global South, the movements for emancipation and sustainability have kept silent while NGOs have called for Western military and economic intervention, no-fly zones and other measures curtailing the sovereignty of postcolonial countries.

From a decolonial perspective, international relations continue to be dominated by colonial- historical structures, where race is found to be the organizing principle of the world capitalist system. While capitalist economy can be seen as the impulse for imperialism, the inequalities and oppression experienced by much of humanity under imperialism continues to follow historical colonialism. The great leaders of 20th century liberation movements in Africa, Asia, Latin America and the Caribbean, together with the champions of civil rights in Europe and North America, all identified themselves as anti-imperialists. What would a critical anti-imperialism look like today, and how can it serve to foster solidarity among nations of the South and colonized people of the North?

The questions in the series are:

  • What are the local dynamics of the conflict?
  • What are foreign influences?
  • And how do these follow a historical pattern?

These are the sessions:

  • Session 1: Russia and Ukraine. Speakers: Chris de Ploeg and Sheher Khan
  • Session 2: Venezuela and Cuba: Antonio Carmona Baez and Angie Gonzales Fren
  • Session 3: Paneldiscussion wit comparative analysis: Chris de Ploeg, Sheher Khan, Antonio Carmona Baez and Angie Gonzales Fren

Organisatie: Studio Kl, Decolonial International Network (IISR), Critical Collective, ILSP-Network

Data:

  • Session 1: donderdag 26 oktober
  • Session 2: donderdag 2 november
  • Session 3: donderdag 7 december

Tijd: 19.00-22.00 uur (inloop 18.30).

Plaats: Studio K, Timorplein 62, Amsterdam.

Toegang: gratis.

Facebook: https://www.facebook.com/events/358650487926841

Vrijdag 27 oktober Amsterdam: (MIS)informed

Op vrijdag 27 oktober vindt het eerste (MIS)informed symposium plaats. (MIS)informed is een symposia reeks waar wetenschap en praktijk bij elkaar wordt gebracht om een ieder te verrijken met inhoudelijke kennis.

Het eerste symposium wordt georganiseerd in het kader van de Maand van de Verzwegen Geschiedenis. Het gaat over het Eurocentrisch beeld van de geschiedenis en de gevolgen daarvan. Tijdens deze bijeenkomst vindt de presentatie plaats van het boek “Boterzacht & Flinterdun: De Ontmaskering van Eurocentrisme” van Djehuti-Ankh-Kheru. Dit boek handelt over de oneigenlijke argumenten die het Eurocentrische academische establishment gebruikt om de Afrikaans gecentreerde visie op de geschiedenis aan te vallen. Het is een uitvloeisel van een debat dat New Urban Collectief heeft georganiseerd over de vraag: Hoe verhouden Eurocentrische en Afrocentrische claims zich tot elkaar met betrekking tot de bijdrage van Afrika aan de vorming van de Grieks-Romeinse cultuur en daarmee aan de bakermat van de Europese beschaving?

Op de bijeenkomst zal Simone Zeefuik spreken over eurocentrische denkbeelden in Nederlandse musea en de campagne#DecolonizingTheMuseum. Patty Gomes zal spreken over de geschiedenis van de slavernij vanuit een zwart perspectief.

Organisatie: IZI SolutionsNew Urban Collective en The Grapevine Enterprise.

Datum: vrijdag 27 oktober van 18.30-22.00 uur.

Plaats: Vrije Universiteit, Boelelaan 1105, Amsterdam.

Toegang: gratis.

Facebook: https://www.facebook.com/events/1843439575986047/

Aanmelding: https://goo.gl/forms/mj3xlwP2SLzDzPbu2

Waarom Barnet Lyon moest vallen en Tetary moet opstaan

Sandew Hira
21 september 2017

De verwijdering van het borstbeeld van Barnet Lyon afgelopen zaterdag en de onthulling van het standbeeld van Janey Tetary door de president a.s. zondag van 17.00-18.00 uur op de hoek van de Henck Arronstraat en de Grote Combéweg vervult veel Surinamers, en zeker de Hindostanen, met een gevoel van trots over dit historische moment.

Zoals te verwachten was, zijn koloniale historici in de aanval gegaan. Maurits Hassankhan heeft in Dagblad Suriname dekoloniale historici beschuldigd “Doelbewust of onbewust met geschiedvervalsing” bezig te zijn. Zijn argument is dat Hindostanen indertijd massaal geld hebben opgebracht als eerbetoon aan Barnet Lyon. Barnet Lyon heeft veel goeds gedaan voor Hindostanen. Het is geschiedvervalsing om te beweren dat dat niet zo is. Daarom mag zijn borstbeeld niet worden weggehaald.

Laat mij de twee argumenten nader analyseren. Ik begin met het laatste, met dank aan Radjinder Bhagwanbali die zo genereus was om zijn bronnenmateriaal over Barnet Lyon met mij te delen.

George Henry Barnet Lyon was een belangrijke figuur in de koloniale elite van Suriname. Hij heeft allerlei functies bekleed als kolonisator. Hij was niet alleen agent-generaal, maar ook voorzitter van de plantersvereniging, eigenaar van plantage Jagtlust, lid van het Hof van Justitie, waarnemend-procureur generaal en lid van de Raad van Bestuur van Suriname. Zijn vader was een slavenmaker. Zijn familie heeft veel geld verdiend aan een misdaad tegen de menselijkheid.

De archieven van Suriname hebben veel informatie over deze figuur. In de koloniale geschiedschrijving wordt hij gepresenteerd als de “koelie papa”, de beschermheer van de Hindostaanse contractarbeiders. Dat beeld is gebaseerd op het werk dat de tolk Sitalpersad, de pleegzoon van Barnet Lyon, heeft gedaan om een positief beeld te schetsen van zijn pleegvader. De archieven geven een ander beeld.

In 1874 initieert Barnet Lyon samen met de Procureur Generaal de herinvoering van lijfstraffen (zoals tijdens de slavernij). Het verschil met slavernij was dat de contractarbeiders “slechts” 30 rottingslagen per keer mochten worden toegebracht. De lijfstraffen werden toegepast op mannen en vrouwen, Hindostaanse en Chinese contractarbeiders, maar ook op vrij Creoolse contractarbeiders. Bron: Min. Van Kol: 1850 – 1900; Resolutien: 11 – 14 februari 1876; Inv. nr 2860.

Hij pleitte voor het “oude plantagestelsel’ uit de slavernij met een duidelijke hiërarchie tussen meester en slaaf. Bron: Min. V. Kol: 1850 – 1900; Resolutien: 12 – 15 jan. 1877; Inv. 2952.

Barnet Lyon had ook sadistische trekken. Zo liet hij 15 gevangenen gedurende 15 dagen zonder bescherming van handen en voeten branti maka (met scherpe doorns) kappen op zijn plantage. Bron: Handelingen van de Koloniale Staten: 1880 -1881 p.95.

Vooral moslim contractarbeiders hadden een hekel aan Barnet Lyon. Na de toewijzing aan plantage Jagtlust van Barnet Lyon wilden ze zo snel mogelijk de plantage verlaten vanwege de behandeling die ze kregen. Bron: Min. Van Kol: 1850 – 1900; Gouvernement Journaal van Suriname; Inv. nr.6897.

Barnet Lyon was waarschijnlijk de meest gehate persoon onder de plantagearbeiders: Hindostanen, Afro-Surinamers, Chinezen en Barbadianen (uit Barbados). Hij liet deze arbeiders om de minste en geringste arbeidsovertreding zwaar straffen: martelen met kromsluiting en rottingslagen. Dat gebeurde gedurende de gehele migratieperiode. Barnet Lyon ontving uit alle districtsgevangenissen geregeld rapporten van gestrafte arbeiders over de strafmaat en de duur van de straffen. Bron: Min van Kol: 1850 -1900; Geheim Resolutien A8-G9 1884; Inv. 6152. Het kan niet genoeg benadrukt worden dat Barnet Lyon niet alleen een meedogenloze onderdrukker was van Hindostanen, maar ook van vrije Afro-Surinaamse en Chinese arbeiders. Bhagwanbali zal dat in zijn toekomstige publicaties nog eens uiteenzetten.

Barnet Lyon was een voorstander van hard optreden tegen contractarbeiders die in verzet kwamen. Hij beschouwde het militaire optreden op plantage Zorg en Hoop als gerechtvaardigd en professioneel. Hij rapporteerde dat “gesneuvelden elk door één kogel werden gedood van een afstand van 1 á 1,5 meter van de soldaten”. Die liquidaties schreef hij toe aan de “door de contractarbeiders veroorzaakte wanordelijkheden”. Daarbij zijn volgens hem “de militaire autoriteiten niet anders dan met kalmte en bezadigdheid te werk gegaan”. Bron: Min. Van Kol: 1850 -1900; Resolutien: 1 – 3 december 1884; Inv. 3813.

Barnet Lyon probeerde als voorzitter van een onderzoekcommissie de wantoestanden onder gevangenen in het fort Nieuw Amsterdam te verdoezelen. Het overgrote deel van de gevangenen raakte verlamd door slechte medische zorg en hygiëne. Volgens Barnet Lyon was dat slechts bij slechts één gevangene het geval. Later werd zijn rapport door dr. Schelky finaal onderuit gehaald. Bron: Min van Kol 1850 -1900;Resolutien: 19 – 21 nov. 1889; Inv. nr.4317.

De Britse consul vond Barnet Lyon als de meest ‘onoordeelkundige ambtenaar’. Dit naar aanleiding van het laten neerschieten van 7 contractarbeiders, waaronder 3 vrouwen door de marechaussee. Bron: Verbaal van de Gouverneur van Suriname. Afdeling Kabinet Geheim; Eerste afdeling: 1885 – 1938.

Barnet Lyon was hoofdverantwoordelijke voor de moord op de Hindostaanse contractarbeiders op plantage Marienburg. Volgens hem waren de Hindostanen bezig met een machtsgreep. Zij hadden contact met Bharat Mitra: een tijdschrift van de vrijheidsstrijders in India. Daarom moest de opstand op plantage Marienburg heel hard worden aangepakt. Bron: Min. Van Kol 1850 – 1900; Resolutien: 13 – 19 september 1902; Doosnr. 142 inv nr 8285 en 8286.

De archieven bevatten ook meer specifieke info over Barnet Lyon en zijn houding ten aanzien van Chinezen en Creoolse vrije arbeiders: zie Min. Van Kol 850 -1900; Geheim Resolutien P4 – Q9 Inv. nr. 6152.

De algemene conclusie is dat het beeld dat de pleegzoon van Barnet Lyon heeft geschapen in de Hindostaanse gemeenschap van zijn pleegvader als een “koelie papa”, een vader voor de Hindostanen, niet klopt met de rauwe werkelijkheid waarin Hindostaanse contractarbeiders onder zijn bestuur hebben moeten leven. Zijn borstbeeld was onderdeel van de vervalsing van de geschiedenis van Hindostanen. Daarom is het goed dat dit beeld is verwijderd.

Hoe moeten we dan verklaren dat Hindostanen geld bij elkaar hebben gebracht voor het borstbeeld? Het antwoord is simpel: het is een kwestie van mental slavery. Mental slavery bestaat en het is heel zichtbaar. Mental slavery is het verschijnsel waarbij de gekoloniseerde de kolonisator gaat bedanken voor zijn aanwezigheid, zijn glimlach, zijn kleur, zijn alles met als doel om de onderdrukking en uitbuiting waarvoor hij verantwoordelijk is te vergeten. Malcolm X gebruikte de term “House Negro” om dit soort figuren aan te duiden. Ze zitten in een positie van relatieve macht. Sitalpersad was de pleegzoon van Barnet Lyon. Hij was ook tolk, een belangrijke functie in die tijd. Hij was een sleutelfiguur in de Hindostaanse gemeenschap en was dus in staat om de gemeenschap te mobiliseren om zijn pleegvader te bedanken. Daarbij moest hij aan geschiedvervalsing doen. Hij moest zwijgen over de misdaden van zijn pleegvader en hem ophemelen. Door die positie van macht kon hij de middelen en de mensen mobiliseren voor het standbeeld.

Bij de afschaffing van slavernij in 1863 hebben de ex-totslaafgemaakten massaal dank betuigd aan Willem III omdat hij de wet ondertekende die slavernij heeft afgeschaft. Er werden lofliederen gezongen voor de koning. Maar daarbij werd niet verteld dat in de wet stond dat de daders van een misdaad tegen de menselijkheid een geldelijke compensatie kregen en de slachtoffers met lege handen kwamen te staan. Die bepaling stond in de Nederlandse tekst van de wet, maar is weggelaten in de Sranan Tongo versie. De organisatie van geheugenverlies is een mechanisme van mental slavery. Op een soortgelijke wijze heeft Sitalpersad geheugenverlies georganiseerd door te zwijgen over de misdagen van zijn pleegvader en door hem te presenteren als de koelie papa.

Ook de geschiedschrijving van Suriname is vervalst op verschillende manieren. Het ontkennen van mental slavery is één manier. Het zwijgen van Hassankhan over de misdaden van Barnet Lyon is een andere. De hier bovengenoemde bronnen is Hassankhan niet onbekend. Ze zijn openbaar. Iedere historicus kent ze. Iedereen kan ze raadplegen. Maar je moet de koloniale bril afzetten die verhindert dat je de misdaden ziet en je dwingt om naar de kleinste detail te zoeken waarmee je de kolonisator lof kan toezwaaien. Mensen in Suriname vragen zich terecht af: waarom heeft Maurits Hassankhan die decennialang een sleutelrol heeft gespeeld in het geschiedenisonderwijs en talloze mensen heeft getraind, nooit het verhaal van Tetary naar boven gebracht. Het is niet omdat hij en de mensen die hij getraind heeft de bronnen niet kent. Het is vanwege de koloniale bril die hij heeft overgedragen heeft aan zijn studenten. Sommigen, zoals Radjinder Bhagwanbali, zijn erin geslaagd om die bril af te zetten.

Hassankhan doet in de 21ste eeuw wat Sitalpersad in de 20ste eeuw heeft gedaan: de rol vervullen van de “trouwe Hindostaan” die de hele dag bezig is om zijn meester te bedanken voor diens aanwezigheid in zijn koloniale geest.

Voor de nieuwe generatie Surinamers en historici is het tijd om het juk van mental slavery af te werpen en in de voetsporen te treden van die jonge vrouw genaamd Janey Tetary, die heeft gedurfd wat veel oude mannen als Sitalpersad en Hassankhan nooit hebben gedurfd: anti-koloniale strijd leveren voor waardigheid en zelfrespect.

Hardeo Ramadhin, een andere “trouwe hindostaan”, heeft in Dagblad Suriname deel I gepubliceerd van zijn kritiek op dekoloniale historici. We wachten de afronding van zijn meerdelige serie af voordat we op zijn kritiek antwoorden.

Lezing Sandew Hira over kolonialisme en geschiedenisonderwijs

Op zaterdag 9 september organiseert Antaru i.s.m. Keti Koti werkgroep en A.R.G. een lezing van Sandew Hira over de gevolgen van het koloniaal verleden voor het geschiedenisonderwijs.

  • Hoe heeft ons geschiedenis-onderwijs onze geest gevormd ?
  • Welke concepten zijn opgenomen in de lessen geschiedenis en bepalen ons beeld van de multiculturele samenleving ?
  • Wat kunnen we doen om dat beeld te veranderen ?

Locatie:  MFA Het Kruispunt

Adres:  Sinopelstraat 1, Tilburg

Datum:  Zaterdag  9 september

Tijd:  13.30 – 17.30 uur

Deelname: gratis

Bereikbaar: bus 7 richting West  halte  Kruidenlaan

Info: Roos van Abeelen-Tecla  tel. 0134681167, Carla Vlottes  tel. 0135400230

 

Vijf misvattingen over terrorisme

Sheher Khan

In het publieke debat en discours over terrorisme zijn een aantal mythes en misvattingen ingeslopen en die voor waar worden aangenomen. Denk hierbij aan de gedachte dat alle aanslagen in het westen gepleegd worden door al-Qaida, Daesh en de gelijken (vanaf nu takfiri terrorisme) en dat er sprake zou zijn van een ‘gouden tijdperk van terrorisme’. Hieronder zal ik met behulp van feitelijke documentatie een vijftal van die misvattingen uit de wereld helpen:

  1. Alle aanslagen in de westerse wereld worden gepleegd door takfiri terroristen;
  2. De meeste slachtoffers van terroristisch geweld vallen in de niet-westerse wereld, maar is de schaal bekend?
  3. Er worden steeds meer terroristische aanslagen gepleegd in West-Europa, met name na 9/11;
  4. De onderschatte dreiging van extreemrechtse terreur;
  5. De sterk overschatte rol van vluchtelingen en nieuwkomers in terrorisme .
  6. Takfiri terrorisme zijn in de minderheid

Terrorisme is (in het westen) niet het exclusieve domein van al-Qaida, Daesh en de gelijken. De meerderheid van de aanslagen worden namelijk niet gepleegd door takfiri terroristen. Sterker, van 2006 en 2013 betrof het in de Europese Unie (EU) een insignificant aantal, namelijk: 0.7%. Volgens Europol kwam in die periode de meeste dreiging vanuit separatistische hoek. In het opvolgende jaar (2014) was één aanslag gepleegd door een takfiri terrorist; in 2015 was dat 17 op een totaalaantal van 121; en in 2016 zakte dat naar 13 van de 142 aanvallen. In het jongste rapport van Europol (2017) wordt nogmaals geconstateerd dat de meeste aanslagen (99 van 142) op naam komen van separatistische bewegingen. Denk hierbij aan afscheidsbewegingen als de IRA, ETA en PKK. De Ierse separatistische groepering Dissident Republicans, ook wel de ‘nieuwe IRA’ genoemd, maakte bijvoorbeeld één dodelijke slachtoffer in maart 2016, toen ze een explosief onder een busje van een gevangenisbewaarder lieten afgaan. Een ander voorbeeld: Britse politica Jo Cox was in juni 2016 om het leven gebracht door rechtse extremist Thomas Mair vanwege haar standpunt m.b.t. Brexit.

Eenzelfde beeld is te zien in de Verenigde Staten (VS). Uit cijfers van de FBI blijkt dat 94% van de terroristische aanslagen, in de periode van 1980 tot 2005, gepleegd waren door daders zonder een islamitische profiel. Een studie ondernomen door de National Consortium for the Study of Terrorism and Responses to Terrorism kwam tot de conclusie dat tussen 1970 en 2011 slechts 7% van alle aanslagen gepleegd waren door terroristen met een “religieuze overtuiging” (hierbij verwijzend naar al-Qaida en de gelijken). Het grootste percentage (32%) maakte groepen op die gemotiveerd werden door een etnonationalistische of een separatistische agenda, vervolgens 28% door single-issues (als dierenrechten of anti-oorlog), 22% extreemlinks en 11% extreemrechts. Een bekend voorbeeld is de slachtpartij aangericht door witte nationalist Dylann Roof. De 21-jarige suprematist richtte zijn geweer op Afro-Amerikaanse kerkbezoekers in Charleston en ontnam daarbij negen levens.

Niettemin, de aanslagen gepleegd door takfiri terroristen van de afgelopen jaren waren wel erg dodelijk. Bij de gewelddaden in Brussel (2016) kwamen 32 burgers om, Nice (2016) 84 en Parijs (2015) 130. Daarmee komt het gros van de slachtoffers in de afgelopen jaren op conto van takfiri terroristen – in de periode 2000 – 2013 tot 40% van alle doden door terrorisme. In het afgelopen jaar zelfs bijna alle doden (135 slachtoffers uit een totaal van 142).

In conclusie: takfiri terroristische aanslagen zijn erg dodelijk, maar is niet het enige gevaar. Extreemrechtse, separatistische en etnonationalistische groeperingen vormen ook een sterke dreiging.

  1. De grootte van de dodelijke gevolgen van terrorisme in de niet-westerse wereld
    Waarschijnlijk is het bij het grote publiek bekend dat voornamelijk de niet-westerse wereld gebukt gaat onder de dodelijke gevolgen van terrorisme. De vraag is echter of de werkelijke schaal bekend is. Een onderzoeksartikel van de Washington Post biedt daarover duidelijk: “Since the beginning of 2015, the Middle East, Africa and Asia have seen nearly 50 times more deaths from terrorism than Europe and the Americas” de Washington Post. Met de grafiek hieronder worden die verhoudingen hieronder gevisualiseerd:

Dodelijke slachtoffers van terrorisme wereldwijd (periode 2001-2014)

Bron: Huffington Post (2015)

De top drie bestaat uit moslimmeerderheid landen. Het eerste westers land op de lijst is de VS op #7. Wanneer 9/11 uit de data wordt gehaald, dan blijft er géén enkel westers land in de top tien over. En ter vergelijking: bij alle door Daesh gepleegde terroristische aanslagen in de westerse wereld (53) kwamen 425[1] om. Terroristisch geweld is dus voornamelijk een probleem voor de niet-westerse wereld.

Hoe komt het dat er onduidelijkheid heerst m.b.t. de schaal van terrorisme in de westerse en niet-westerse wereld? Volgens socioloog Sean Darling-Hammond te maken met de mediaberichtgeving (of het gebrek daaraan). Darling-Hammond verzamelde data van elk van de 300 gerapporteerde terroristische aanslagen in het jaar 2015. Hij constateerde het volgende over het aantal artikelen toegewijd aan terroristische aanslagen in november 2015: 392 mediaberichten over de aanslag in Baghdad; 1.292 aan Beiroet en meer dan 21.000 over de gewelddaad in Parijs. De onderzoeker concludeert logischerwijs dat westerse slachtoffers disproportioneel meer aandacht krijgen dan hun medelotgenoten in de niet-westerse wereld.

Er valt nog iets op gekeken naar de cijfers hierboven: de top tien bestaat veelal uit landen die of onderwerp waren van de door de VS geleide Global War on Terror of de bijgevolgen ervaren. Dat komt beter naar voren in onderstaande grafiek:

Doden door terrorisme wereldwijd

Bron: economist.com

 

Neem Irak. De VS viel het Arabisch land binnen in 2003 op grond van twee redenen: 1) de toenmalige leider, Saddam Hoessein, zou chemische wapens in zijn bezit hebben en 2) hij zou onderdak bieden aan al-Qaida – beide claims bleken ongegrond te zijn. De gevolgen van de invasie waren echter zeer reëel: elf jaar na de illegale inval, in 2014, werden meer Irakezen slachtoffer van terroristisch geweld dan het totale wereldaantal (!) in 2001 – het jaar waarin 9/11 plaats vond en de start betekende van de Global War on Terror. Irak – waar vóór 2003 géén zelfmoordaanslagen geregistreerd waren – is compleet gedestabiliseerd geraakt door de illegale invasie en sindsdien zijn meer dan 40.000 doden gevallen door terroristisch geweld.

Waarom ontbreken deze cijfers in het publieke discours? Volgens intellectueel Noam Chomsky heeft dat niet alleen te maken met een gebrek aan media-aandacht, maar een politieke cultuur waarin onderscheid gemaakt wordt tussen waardige – en onwaardige slachtoffers. Chomsky legt dat uit met het volgende voorbeeld: in 2007 werd een poll gehouden onder burgers in de VS waarbij gevraagd werd om het totale aantal doden in Irak te schatten. De mediaan lag op 10.000. Het werkelijke lag in die tijd tussen de 150.000 en 650.000 doden. Dit verschil in perceptie komt volgens Chomsky als gevolg van een gerichte campagne om zoveel berichtgeving over de (dodelijke) burgerslachtoffers te onderdrukken. Hierdoor probeert de VS te voorkomen dat hun rol in de bezetting en oorlog niet onderwerp van discussie wordt.

Wanneer worden burgerdoden wél als waardig beschouwd? Dat is wanneer ze de agenda van Washington vooruit kunnen helpen. Case in point: hoe Obama middels de dreiging van Daesh weer ‘boots on the ground’ wist te krijgen in Irak. In 2011 weigerde de toenmalige president Nouri al-Maliki om het verblijf van het Amerikaanse leger te verlengen. Dat leidde tot onvrede en verzet in Washington die het liefst zouden willen blijven in Irak. Toen in 2014 Daesh op de westerse radar kwam en burgers wereldwijd bedreigde, werd dat gevaar gebruikt om het aantal Amerikaanse troepen in Irak toe te laten nemen. Daarmee werden de (potentiële) slachtoffers van Daesh gebruikt om het buitenlandbeleid van Washington te rechtvaardigen.

  1. Neerwaartse trend doden terrorisme in West-Europa
    Er vallen steeds minder doden door terrorisme in West-Europa. Dit staat in contrast met de doemscenario’s die sommige experts schetsen van een mogelijke “gouden tijdperk van terrorisme”. Dat is in het geval van West-Europa incorrect. Er is eerder sprake van een neerwaartse trend, zie de grafiek hieronder:

Doden door terroristische aanvallen in West Europa (periode 1970-2015)

Bron: Datagraver.com

Bovenstaande cijfers laten duidelijk zien dat er in de periode na 9/11 aanzienlijk minder dodelijke slachtoffers zijn gevallen dan in de 21 jaar daarvoor. Die trend begon na de Val van de Berlijnse Muur (1989) en zette zich sindsdien voort uitgezonderd uitschieters als Madrid (2004) en Londen (2005).

Verder, als we de doden in Europa uitsplitsen tussen west en oost, is op te merken dat de meerderheid van de slachtoffers in de afgelopen 15+ jaar vielen in het oostelijk deel van de continent (zie hieronder):

Doden door terrorisme per maand: West- versus Oost-Europa

Bron: Washington Post

Volgens experts wordt dat verklaard door het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en de (langdurige) gevolgen van conflicten die (mede) daaruit ontstonden. Denk hierbij aan de conflicten in Joegoslavië, Tsjetsjenië en Oekraïne. De map hieronder laat zien hoe die aanslagen verdeeld zijn in Europa tussen 1970 en 2015:

Geografische verdeling terroristische aanslagen in Europa tussen 1970 en 2015

Bron: Washington Post

Anders gezegd: de heersende gedachte dat de meeste doden vallen in en aanslagen gepleegd worden in het westelijk deel van Europa wordt niet ondersteund door de actuele verdeling van de dodelijke terroristische aanslagen; dat is namelijk in Oost-Europa het geval. Een voorbeeld is de Vakbondsgebouw-aanslag in Odessa (Oekraïne) van 2 mei 2014. Daarbij werden 46 mensen vermoord door de neonazistische Pravy Sektor vanwege hun pro-Russische affiliaties.

  1. Groeiende dreiging extreemrechts geweld
    De dreiging vanuit extreemrechtse hoek is echter niet voorbehouden aan Oost-Europa. In West-Europa en Noord-Amerika zijn terroristische gewelddaden door extreemrechtse terroristen in de opmars. Een recente studie concludeerde dat 1/3 van alle zogeheten lone-wolf terroristen in Europa van extreemrechtse slag zijn.

In de VS zijn soortgelijke bevindingen geconstateerd. Volgens denktank New America zijn er bijna twee keer meer slachtoffers gevallen, in de periode 9/11 tot 2015, door witte suprematisten dan door takfiri terroristen.

Die conclusie wordt verder ondersteund door een recent onderzoek (2017) van het hoogste auditorgaan van de Verenigde Staten – het Government Accountability Office (GAO). Het GOA concludeert dat extreemrechts verantwoordelijk is voor de bulk van de dodelijke terroristische aanslagen, namelijk: 73% tegenover 27% door takfiri terrorisme.

Echter, wanneer terroristische aanslagen worden uitgezet in termen van dodelijke slachtoffers zien we hetzelfde als in Europa: takfiri terroristen zijn verantwoordelijk voor de meeste doden. Dit doet verder niks af van de reële en groeiende dreiging van extreemrechts terrorisme. De gevallen van Breivik, Tristan van der Vlis en Dylann Roof zijn relatief bekend, maar met de volgende voorbeelden wordt dat gevaar nogmaals benadrukt:

  • In 2013 werd de 82-jarige Mohammed Saleem neergestoken door een extreemrechtse terrorist terwijl hij thuiskwam van een moskeebezoek. Saleem overleed snel daarna. Een zelfde lot overkwam de 81-jarige Brits Muhsin Ahmed twee jaar later. In het opvolgende jaar in 2016 werd Labour-politica Jo Cox neergeschoten door een extreemrechtse terrorist vanwege haar politieke positie inzake Brexit;
  • In de VS zijn alleen al in de afgelopen vijf jaar moslims en Afro-Amerikanen vermoord – en in sommige gevallen zelfs geëxecuteerd – door witte racisten vanwege hun religieuze en/of etnische Ook andere (religieuze) minderheidsgroepen als hindoes en sikhs zijn doelwit geweest van extreemrechtse terreur, vaak omdat laatstgenoemde hen verwarren en/of aanzien als moslims;
  • In 2016 werd in Nederland een terroristische aanslag gepleegd op een moskee door een groepje van vijf extreemrechtse racisten.
  • In Griekenland werd in 2016 een vluchtelingenkamp aangevallen door een groep extreemrechtse racisten;
  • Begin 2017 viel een extreemrechtse terrorist een moskee aan in het Canadese Quebec. De dader schoot op de moskeegangers terwijl ze aan het bidden waren en doodde daarbij 6 burgers.

Kortom, dit select overzicht maakt duidelijk dat extreemrechtse terreur niet alleen in opmars is, maar breed in de westerse wereld voorkomt.

  1. Rol vluchtelingen en nieuwkomers overschat
    De instroom van migranten en vluchtelingen leidt automatisch tot meer (terroristische) dreiging. Ten eerste, de rol van migranten en vluchtelingen in aanslagen zijn beperkt. Het in Den Haag gevestigde onderzoeksinstituut ICCT onderzocht (2017) alle door Daesh gepleegde in het westen en concludeerde dat 73% van alle aanslagplegers burgers van hetzelfde land zijn waar zij hun geweld in praktijk brengen. Nog een 14% waren bezoekers of inwoners met een (legale) verblijfsstatus. 6% verbleven in het land zonder documentatie en slechts 5% waren vluchtelingen of statushouders (zie hieronder).

Grafiek afkomst aanslagplegers

Bron: ICCT (2017)

De dreiging vanuit vluchtelingen of statushouders bestaat dus maar is miniem. De overgrote meerderheid van het gevaar (95%) komt van burgers of ingezetenen met een legale verblijfsstatus. Het ICCT onderzoek wordt ondersteund door een studie van de Britse denktank The Henry Jack Society. Zij (2017) constateren dat bij meer dan twee derde van de aanslagen sinds 2005 uitgevoerd zijn door individuen die “who were either born or raised in the UK.”. De New America Foundation stelt in het geval van de VS “every jihadist who conducted a lethal attack inside the United States since 9/11 was a citizen or legal resident”. Een ander recent onderzoek, uitgevoerd onder leiding van politicoloog Robert Pape, komt tot gelijke bevindingen. In het onderzoek genaamd American Face of ISIS waren bij 112 van de Daesh gerelateerde misdrijven nul vluchtelingen betrokken. Libertarische denktank Cato onderzocht die verhouding ook en komt tot de conclusie dat immigranten en vluchtelingen praktisch geen rol hebben gespeeld bij terroristische aanslagen. Vrijwel alle doden komen uit één single gebeurtenis: 9/11 (98.6%). Afgezien daarvan zijn fatale terroristische aanslagen door immigranten of vluchtelingen extreem zeldzaam.

Met recente aanslagen als Berlijn (2016), Ansbach (2016) en Kopenhagen (2016) is het aandeel van nieuwkomers in aanslagen wél gestegen. Volgens het ICCT is de instroom van vluchtelingen en migranten an sich niet het probleem, want: “the number of criminals and terrorists in mass migration movements has been low” en “terrorists often have a criminal background to begin with”. Daesh focust haar operaties vooral in de strijd in Irak en Syrië en de nieuwkomers en immigranten ontvluchten die brandhaarden juist omdat ze tegen de terreurgroepen zijn. De focus daarom zou moeten zijn op propere regulatie.

Ten tweede, het probleem zijn niet de migranten en of vluchtelingen, maar ontstaat het volgens Brookings Institute wetenschapper, Daniel L. Byman, pas als nieuwkomers in contact komen met lokale reeds geradicaliseerde groepen (zogeheten “radicalization hubs”).

Inderdaad, dat zien we in het geval van de 22-jarige Syrische statushouder, Jaber al Bakr, die in oktober 2016 gearresteerd werd op grond van het plegen van een aanslag.

Jaber al-Bakr kwam in februari 2015 aan in Duitsland en ontving status vijf maanden later. Volgens de broer van al-Bakr, Alaa al-Bakr, kwam was Jabr vóór aankomst in Duitsland niet politiek actief of geïnteresseerd. Dat veranderde na aankomst. In Berlijn kwam Jabr al- Bakr in aanraking met extremisten. Een lokale imam zou hem in contact hebben gebracht met en aangespoord om te vechten voor Daesh in Raqqa (Syrië). In september 2015 vertrok Bakr uit Duitsland naar Syrië via Turkije, waar hij ongeveer vijf maanden verbleef en vervolgens twee in Syrië. Op zijn persoonlijke Facebook-pagina is te zien dat al-Bakr vanaf januari 2016 zich begon te sympathiseren met Daesh. Ongeveer twee maanden voordat Jabr zijn gewelddaad wilde plegen werd hij opgepakt door de Duitse autoriteiten. Een andere Syrische statushouder hield hem aan en droeg Jabr vervolgens over (waarna de verdachte zichzelf later ophing in zijn cel).

De conclusie is dat de overgrote meerderheid van de IS-daders burgers van het land waar ze een aanslag in plegen zijn. Slechts een miniem aantal van de IS-aanslagplegers zijn nieuwkomers of ongedocumenteerden. Indien de wens is om terrorisme tegen te houden zou daarom meer aandacht gevestigd moeten worden op lokale geradicaliseerde groepen in plaats van grensbewaking, en in het verlengde daarvan: wáárom extremisten überhaupt voedingsbodem kunnen vinden in westerse samenlevingen.

[1] Volgens het ICCT (2017) kwamen 395 westerse burgers om door Daesh van juni 2014 tot juni 2017. Bij de Manchester-aanslag kwamen 22 burgers om en de daaropvolgende aanslag in Londen ontnam van 8 burgers het leven.

Manchester-aanslag als blowback van westerse interventie

Sheher Khan,  9 juli 2017

In 2011 ontstond kans voor het westen om Gaddafi te verdrijven. Dat was het moment dat de Arabische Opstand aankwam in Libië. In het licht van die doelstelling werden rebellengroepen gesteund die dat konden bewerkstelligen, waaronder ervaren al-Qaida gelieerde doodseskaders als de Libyan Islamic Fighting Group (LIFG).  Om dat doel verder te ondersteunen deden Europese staten de poorten open voor burgers die wilden meestrijden tegen de toenmalige Libische leider.

Na de lynching van de gemeenschappelijke vijand werd er een nieuw doel voor de extremistische rebellen gezocht. Die vonden ze in Syrië. De takfiri terroristen sprongen over naar Syrië om daar te strijden tegen Bashar al-Assad. Al snel kwamen de takfiri terroristen de Syrische oppositie te domineren en dat creëerde op haar beurt weer de rechtvaardiging voor het westen om militair te interveniëren. Bij die westerse luchtaanvallen in Syrië (en Irak) – in 2016 meer dan 26.000 – zijn vele onschuldige levens gevallen, vaak kinderen. Daarmee vestigden de westerse staten de aandacht van takfiri terroristen op zichzelf – en dat hebben ze sinds in de afgelopen jaren ook gedaan, zoals Charlie Hebdo, Brussels en meest recentelijk Manchester.

De Manchester-aanslag kan derhalve geïnterpreteerd worden als een typisch geval van blowback. Salman Abedi, de man die zich op 23 mei opblies in Manchester en 22 (vooral jonge) levens met zich meenam, was een product van NAVO’s agressie jegens Libië in het kader van de Global War on Terror.

NAVO-agressie opent deuren voor al-Qaida in Libië

In 2011 lanceerde de NAVO (in samenwerking met regionale partners als Qatar, Turkije en andere bevriende naties) militaire operatie in Libië. Het beoogd doel was om burgers te beschermen tegen de (vermeende) agressie van Gaddafi. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat die aanklachten tegen de toenmalig Libische leider ongegrond waren. Er is namelijk géén bewijs dat Gaddafi van plan was om een genocide te plegen en dat was wel de basis waarop de militaire interventie gerechtvaardigd was (lees bijvoorbeeld dit Brits parlementair rapport). Voormalig president Obama werd gekozen op een platform dat haaks stond tegenover het agressieve buitenlandbeleid van Bush, maar deed daarmee in essentie exact hetzelfde als zijn voorganger: een soevereine binnendringen onder valse voorwendselen en de legitieme regering omverwerpen.

In het kader van die doelstelling werden allerlei groeperingen gesteund die Gaddafi’s machtsbasis kon doen wankelen. Uit een rapport van de International Crisis Group komt naar voren dat de twee meest invloedrijke oppositiegroepen toentertijd gelinkt waren aan al-Qaida, waaronder de Libyan Islamic Fighting Group. Deze terreurgroep staat jarenlang op de terroristenlijst van landen als Libië, het VK, de VS en VN. Saillant detail: volgens een klokkenluider gaf de Britse inlichtingendienst eind jaren 90 nog steun aan de terroristische LIFG om Gaddafi te liquideren. Dat ze dat later, in 2011, nogmaals deden komt derhalve niet aan als een verrassing. Het aparte is wel dat ze in 2005 op de Britse terroristenlijst geplaatst waren.

Ondanks de problematische achtergrond van de LIFG werden ze opgenomen als onderdeel van de rebellen tegen Gaddafi. Ook zaten ze in het officiële oppositieorgaan genaamd de Transitional National Council; dat was toegegeven door het (Noord-)Amerikaanse Ministerie van Binnenlandse Zaken in 2012; de Libyan Islamic Fighting Group kwam toen de Libyan Islamic Movement for Change te heten. Het feit dat één van hun voormannen, Abdulhakim Belhaj, een veroordeelde al-Qaida terrorist was weerhield de VS en het VK niet om met ze in alliantie te gaan. Belhaj kreeg zelfs hoog bezoek van voormalig presidentskandidaat John McCain en ging met hem op de foto.

Abedi en LIFG

De familie van zelfmoordterrorist Salman Abedi was zelf ook gelinkt aan de LIFG. The Guardian berichtte dat de vader van Abedi meestreed met de terreurgroep tijdens de opstand tegen Gaddafi. Ook begaf Abedi zich volgens de Britse politie in een netwerk van LIFG-sympathisanten en leden. De Britse Telegraph rapporteerde dat een aantal leden van de LIFG dichtbij in de buurt woonde van Abedi. Eén van hen was Abdal Baset Azzouz:

Abd al-Baset Azzouz, a father-of-four from Manchester, who left Britain to run a terrorist network in Libya overseen by Ayman al-Zawahiri, Osama bin Laden’s successor as leader of al-Qaeda. Azzouz, 48, an expert bomb-maker, was accused of running an al-Qaeda network in eastern Libya. The Telegraph reported in 2014 that Azzouz had 200 to 300 militants under his control and was an expert in bomb-making.

Abedi zelf was vermoedelijk ook in contact gekomen met al-Qaida’s tak in Libië. Nadat de opstand tegen Gaddafi begon in 2011, reisde hij meermaals heen en weer van zijn thuisland naar het Noord-Afrikaanse land. Volgens NBC News kreeg hij daar zijn training van al-Qaida. Sterker, Libische autoriteiten meldden dat Abedi (en zijn broer) contacten hadden met Daesh – laatstgenoemde kon voet aan Libische grond krijgen mede dankzij de instabiliteit die ontstond na NAVO’s militaire interventie.

Rat line

Het verhaal van Abedi staat echter niet op zichzelf: vele Britse Libiërs konden vrijuit heen en weer reizen van Engeland naar Libië. Middle East Eye bericht dat ze in die onderneming zelfs gesteund waren door de Britse veiligheidsdiensten. Een aantal Britse Libiërs hebben dat bevestigd tegenover het medium. Eén (anonieme) bron beweert dat hij niet naar Irak kon reizen, omdat de autoriteiten vreesden dat hij zich zou aansluiten bij één van de terreurgroepen, maar die angst was er niet in relatie tot Libië. Hij zegt tegen het online medium: “I was allowed to go, no questions asked”. Volgens de bron was hij niet de enige. Vele strijders, waaronder LIFG-leden, overkwam hetzelfde.

Belal Younies, een andere Brit die naar Libië afreisde, heeft gelijke ervaringen. Hij werd op het vliegveld aangehouden onderweg naar Libië en ondervraagd daarover door twee counterterrorisme officiers. Vervolgens deelde Younies mee dat hij toestemming gekregen had van een MI5 officier (Britse binnenlandse dienst). Daarna kreeg Younies groen licht van de douane om door te reizen. Volgens Younies vond MI5 het geen probleem dat hij van plan was om naar Libië te reizen op voorwaarde dat hij zou strijden tegen de regering van Gaddafi. Het feit dat het gros van deze Libiëgangers leden waren van de aan al-Qaida gelieerde LIFG, of aan deze groep zouden aansluiten in Libië, werd niet gezien als een probleem. Zolang ze maar streden tegen de gemeenschappelijke vijand. Deze terroristenpijplijn naar Libië werd ook wel de rat line genoemd.

Getriggerd door westers buitenlandbeleid

Salman Abedi werd geprikkeld om de aanslag in Manchester te plegen na het zien van beelden van dode Syrische kinderen. Langzamerhand begon hij te radicaliseren. De familieleden, omstanders en moskee lieten aan de autoriteiten weten dat Abedi extremistische neigingen toonde. Volgens de zus van Abedi trok het zien van dode Syrische kinderen door westerse luchtaanvallen hem over de streep.  Waarschijnlijk wilde Abedi zijn gram halen door kinderen in het Verenigd Koninkrijk te doden. Deze tragisch gebeurtenis laat nogmaals zien dat niet religie, maar politiek mensen drijft tot terrorisme.

Manchester-aanslag: NAVO’s blowback

De door NAVO geleide militaire interventie in Libië creëerde ruimte voor de al-Qaida gelieerde Libyan Islamic Fighting Group om te groeien. In de nasleep van de interventie konden ook groepen als Daesh hun plek in het door oorlog geteisterde land opeisen. Een ander gevolg was dat Libië (net als Syrië) omgevormd is tot een school voor takfiri terrorisme. Verwarde Europese jongeren als Salman Abedi komen er geradicaliseerd in en uit als professionele terroristen. Ze zijn vervolgens voldoende opgeleid om slachtpartijen aan te richten.

De trigger is vaak (bloedige) westers beleid in het Midden-Oosten – en in het geval van Abedi de westerse luchtaanvallen in Syrië. De Manchester-aanslag van 22 mei is het jongste (maar niet enigste) voorbeeld daarvan. Eerdere vergelijkbare gebeurtenissen was de aanslag in Parijs of Brussels. Ook daar was te zien dat de oorlog in Libië en Syrië diende als een radicaliseringsplatform voor terroristen én dat westerse interventie hen overtuigde en motiveerde om in revanche aanslagen te plegen in Europa en elders.

De link met NAVO’s militaire interventie en de Global War on Terror wordt daarmee duidelijk: zonder NAVO’s interventie in Libië, diens steun aan al-Qaida gelieerde doodseskaders én westerse luchtaanvallen in Syrië, géén aanslag in Manchester.

 

p.s. Na de aanslag in Manchester volgde die van London. Zie mijn analyse daarvan door hier te klikken.

Waarom “islamitisch” terrorisme niet bestaat

Sheher Khan, 5 mei 2017

Met de komst van Trump en zijn team van witte nationalisten keert ook de botsing der beschavingen retoriek terug. Geïntroduceerd tijdens Bush’ ambtstermijn (en door Obama genuanceerd), spreekt men in het Witte Huis weer openlijk van een inherente en onvermijdelijke clash tussen enerzijds het westen en anderzijds ‘de islam’. In plaats van “violent extremism”, als onder Obama, om terreurgroepen als al-Qaida en Daesh aan te duiden, is de focus nu weer op “radical Islam” en wordt er weer gesproken van “islamic terrorism”.

In dit stuk zal betoogd worden dat er niet zoiets bestaat als “islamitisch” terrorisme.  Ook de nuance aangebracht door voormalig president Obama is onjuist. Religie speelt namelijk geen motiverende rol, ook niet bij extremistische interpretaties. Hier zal daar verder op worden ingegaan, en daarbij het volgende worden toegelicht:

  1. Er bestaat geen causaal verband tussen het aanhangen van de islam en het plegen van terroristische daden;
  2. Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat terroristen niet gemotiveerd worden door religie, maar politiek;
  3. De terroristen beamen dat zelf ook;
  4. Sterker, de meeste terroristen bezitten eens niet over gedegen islamitische kennis;
  5. De islam wordt gebruikt ter rechtvaardiging van wandaden en om een identiteit te vormen;
  6. De islamitische wereld terrorisme afwijzen;
  7. Terrorisme wordt niet alleen door niet-statelijke actoren (e.g. al-Qaida). Ook de staat maakt zich daar schuldig aan.
  8. Het gebruik van “islamitisch” terrorisme is derhalve misleidend en een misvatting en daarom worden alternatieven gepresenteerd: simpelweg terrorisme of Binladenisme en takfiri terrorisme;

Botsing der beschavingen? Extremistische islam?
Waarom sluiten mensen zich aan bij terreurgroepen als al-Qaida en Daesh en plegen ze aanslagen? Een vaak gehoorde antwoord is dat zogeheten “islamitisch geïnspireerde terrorisme”, zoals de naam al doet suggereren, haar oorsprong vindt in ‘de islam’. Volgens wetenschapper Arun Kundnani heersen er twee perspectieven hierop: een culturalistische en liberale kijk[i].

Culturalisten verklaren “islamitisch” terrorisme als gevolg van een inherent conflict tussen het westen en de islam. Een zogeheten botsing der beschavingen. Dat conflict vindt haar oorsprong in ‘de islam’, omdat “the teachings of Islam fail to separate it from the political sphere” en waardoor “the atavisms of religious fanaticism are dangerously introduced into the public realm”. Moslims staan dus constant in conflict met de verheven, verlichte en hoogontwikkelde westers moderne samenleving, en dat vanwege hun geloofsovertuiging . Dit leidt tot de volgende gesimplificeerde logica: persoon A is moslim en dus gevoelig voor radicalisatie en in het verlengde daarvan zelfs voor terrorisme.

Hindostanen in de Tweede Kamer?

Pravini Baboeram/Sandew Hira, 11-4-2017

Als we het standaard beeld over Hindostanen mogen geloven zijn we anders dan andere migrantengemeenschappen. Sommigen positioneren dat exceptionalisme als achterlijk, zoals Shashi Roopram, die met een rammelend onderzoek in 2012 de media-aandacht trok door te stellen dat Hindostanen massaal op de PVV stemmen. Dit verhaal werd maar al te graag overgenomen door mainstream media in aanloop naar de verkiezingen van maart 2017, zie het Algemeen Dagblad en De Correspondent. De paar Hindostanen die werden geïnterviewd werden plotseling het gezicht van een gemeenschap, die kennelijk niet kan inzien dat een racistische partij als de PVV tegen alle gemeenschappen van kleur is. Volgens dit perspectief stemmen Hindostanen vanuit angst en een minderwaardigheidscomplex op een witte man genaamd Geert Wilders.

Anderen positioneren het exceptioneel zijn als het toonbeeld van geslaagde integratie, waarbij Hindostanen vooral een keuze maken vanuit een gevoel van trots en bewust stemmen op een Hindostaan die hun identiteit weerspiegelt en belangen vertegenwoordigt. De gevestigde orde heeft de afgelopen jaren gerekend op dit gevoel en bewust mensen van kleur ingezet in de verkiezingscampagne. In de jaren dat links nog daadwerkelijk links was, leidde dit ook tot Hindostanen in de Tweede Kamer. Deze strategie hebben gevestigde partijen voor alle gemeenschappen van kleur toegepast, maar de PvdA deed dit de afgelopen jaren met het grootste succes.

De PvdA was onder alle migranten, inclusief Hindostanen de belangrijkste partij. Tanja Jadnanansing alleen al heeft in 2010 bijna 10.000 stemmen behaald en in 2012 bijna 32.000 (57% van de stemgerechtigden als we van 55.750 Hindostaanse stemgerechtigden uitgaan), meer dan Sylvana Simons in 2017. De stemmen van de andere Hindostaanse kandidaten hebben we niet erbij geteld.

Tania Jadnanansing 2012 31.655 57%
Tania Jadnanansing 2010 9.983 18%

Maar met de opkomst van extreem rechts en het meewaaien van linkse partijen naar rechts, namen de partijen inclusief PvdA een nieuwe strategie aan: wel Hindostanen en Afro-Surinamers op de kieslijst, maar geen van hen op een verkiesbare plek. Het idee was dat Hindostanen toch wel zouden stemmen op Hindostanen in hun partij en een verandering van bewustzijn onmogelijk zou zijn.

Laten we nu naar de cijfers kijken om na te gaan in hoeverre deze aannames stand houden.

In 2012 presenteerde Shashi Roopram zijn “onderzoek”, dat door Sandew Hira is besproken in een column voor Starnieuws.  In 2017 was er geen nieuw onderzoek. Niemand heeft geregistreerd wat Hindostanen hebben gestemd, dus heb je geen enkele basis om te zeggen dat Hindostanen massaal op de PVV hebben gestemd of op welke andere partij dan ook. Dus moet je naar andere bronnen kijken om een indicatie te krijgen van het stemgedrag van Hindostanen.

Laten we kijken naar de gegevens die we wel hebben. Er wonen ongeveer 350.000 Surinamers in Nederland. Volgens de volkstelling van 2012 bestond de Surinaamse bevolking voor 27,4% uit Hindostanen. Maar de meeste Surinamers waren in de periode 1970-1990 naar Nederland gekomen. Deze verhoudingen geven een vertekend beeld omdat later meer etnische groepen zijn gekomen. Laten we ervan uitgaan dat het aandeel van Hindostanen in de Surinaamse bevolking in Nederland 25% is. Dat betekent dat er 87.500 Hindostanen in Nederland zouden zijn. Het aandeel van de kiesgerechtigde op basis van de leeftijdsindeling van CBS schatten wij op 20% (de CBS-indeling is gebaseerd op een vijfjaarlijkse periode en van 0-20 jaar is het aandeel 22%.) Dat betekent dat 80% kiesgerechtigd was, oftewel 71.750.

De officiële opkomstpercentage was 82%. Als we die hanteren dan betekent dat, dat 55.750 Hindostanen hebben gestemd.

Surinamers in Ned 350.000 Aandeel
Aandeel Hindostanen 87.500 25%
Kiesgerechtigd 71.750 82%
Opkomst 55.750

Waar zijn die stemmen naartoe gegaan? Welke gegevens hebben we hierover? We maken een inventarisatie van de Hindostaanse kandidaten en kijken hoeveel stemmen ze hebben gehad. Er waren negen Hindostaanse kandidaten. In totaal hebben ze 6.459 stemmen behaald.

Partij Kandidaat Tot Aandeel
1.      PvdA R. Moti 2.955 45,8%
2.      PvdA R. Roopram 2.624 40,6%
3.      Nieuwe Wegen R. Durgaram 18 0,3%
4.      D’66 M. Ramlal 174 2,7%
5.      Forum voor Democratie Y. Ramautarsing 97 1,5%
6.      PVV N. Choenni 53 0,8%
7.      VNL S. Chandarsing 8 0,1%
8.      VVD I. Korting 337 5,2%
9.      CDA R. Ramcharan 193 3,0%
Totaal 6.459 100,0%

Bron: Proces-verbaal bekendmaking uitslag Tweede Kamerverkiezing 21-03-2017 van de  kiesraad

De kiesdeler was 70.107 stemmen. De Hindostaanse kandidaten hebben samen dus slechts 9,2% van de kiesdeler behaald. N. Choenni van de PVV heeft minder dan één procent van de Hindostaanse stemmen gehad. Alle verhalen over hoe groot de aantrekkingskracht van de PVV op Hindostanen is wordt hierdoor alleen al ontkracht! Als die aantrekkingskracht zo groot was, waarom heeft Choennie dan niet veel meer stemmen behaald dan de andere Hindostaanse kandidaten? Het is mogelijk dat Hindostaanse kandidaten op niet-Hindostanen hebben gestemd, maar niemand kan bewijzen dat het voornamelijk om één niet-Hindostaanse kandidaat gaat, namelijk Wilders. De cijfers die we hebben indiceren dat de PVV niet veel stemmen heeft getrokken onder Hindostanen. Wie het tegendeel beweert, moet met bewijzen komen.

Er zijn 55.750 Hindostaanse stemgerechtigden. De Hindostaanse kandidaten hebben 6.459 stemmen behaald.

Hindostaanse stemgerechtigden 55.750
Hindostaanse kandidaten 6.459
Rest stemmen 49.291

Waar is de rest van de 50.000 stemmen naar toe gegaan? Die vraag kan je voor alle andere migrantengemeenschappen stellen. Waar zijn de stemmen van de PvdA naartoe gegaan? Naar allerlei partijen. En voor mensen van kleur geldt dat er nu een partij is DENK, die zich expliciet richt op gemeenschappen van kleur en een appel heeft gedaan op de gelijkwaardigheid van hun identiteit en het verbeteren van hun sociale positie.

Het dramatische verlies van de PvdA is weerspiegeld in de Hindostaanse gemeenschap, van minimaal 32.000 naar 6.000. Hindostanen hebben gestemd net als alle andere gemeenschappen van kleur. Ze hebben de PvdA verlaten en zijn naar andere partijen gegaan. Het is denkbaar dat DENK de moslimstemmen uit de Hindostaanse gemeenschap heeft getrokken. Het aandeel van moslims in de Hindostaanse bevolking in Suriname in 2012 was 13%, dat zou 6.311 stemmen zijn op basis van de hierboven genoemde aantal stemgerechtigden.

De cijfers indiceren dat Hindostanen geen exceptioneel stemgedrag vertonen, en zeker niet een stemgedrag dat hen naar de PVV trekt. Sterker nog, de Hindostaanse gemeenschap volgt de trend die in andere gemeenschappen van kleur lijkt te zijn gezet. Maar DENK heeft laten zien dat het niet gaat om of je mensen van kleur in de Tweede Kamer krijgt – die hebben we met regelmaat gehad – maar wat die mensen daar gaan doen voor hun achterban. Te vaak is gebleken dat de sentimenten van identiteit zijn misbruikt om carrière te maken die gekoppeld is aan de agenda van het witte establishment.

Het maatschappelijk bewustzijn in de Hindostaanse gemeenschap over institutioneel racisme groeit. Hindostanen leveren een bijdrage aan die discussie op tal van manieren. Activisme dat vroeger afwezig was, zoals dat ook het geval was in de moslim en Afro-gemeenschap, steekt ook in de Hindostaanse gemeenschap de kop op. De campagnes Holi is geen Houseparty, die strijdt tegen culturele kaping van Holi, en Tetary Moet Opstaan, gericht op realiseren van een borstbeeld van de Hindostaanse verzetsstrijder Janey Tetary, zijn hier voorbeelden van. Hindostanen door heel het land hebben zich zowel online als offline ingezet om een gelijkwaardige plek voor hun identiteit en cultuur te eisen in Nederland.

Voor de toekomst betekent dit dat er meer dan ooit kansen liggen om activisten van de Hindostaanse gemeenschap te verbinden met activisten uit andere gemeenschappen van kleur. Onze uitdaging is om niet zomaar te pleiten voor meer kleur in de kamer, maar voor kleur die het verschil kan maken.

Professor Stephen Small – Lecture tour in Brazil and promotion of DTM publications

Continuing his work spreading the insights from the Decolonizing the Mind framework, and promoting and distributing books of the DTM book series edited by Sandew Hira, Arzu Merali and himself, Stephen Small made a recent visit to Brazil (March 22 – April 2) and gave several lectures. He was accompanied by Graduate Student Robert Connell who also gave presentations.

In Rio de Janeiro, Prof. Small visited the Federal University of Rio De Janeiro, where on Thursday, March 23, he gave a lecture on ‘Theorizing Black Europe’ to a packed audience of professors and students. He was hosted at the Federal university by Professor Amilcar Pereira and Professor Monica Lima. This paper is based on research for his book – 20 Questions and Answers on Black Europe, which will be published later this year. Professor Small also gave a lecture at the State University of Rio De Janeiro, hosted by Professor Joao Feres. He presented a similar paper, but this time it was primarily for graduate students (and professors), mainly completing Master’s Degrees or PhDs in social science. In both talks he received a wide range of questions about Black Europe, about Decolonizing the Mind and about similarities (and differences) in the ways colonialism and imperialism have impacted Brazil, as compared to the nations of Europe.

Professor Small then went to the northern city of São Luís do Maranhão where he gave four lectures in the two-week intensive seminar – ‘The Factory of Ideas’ (Fabrica De Idees), organized by Professor Livio Sansone of the Federal University of Bahia (Salvador). This two-week seminar has existed for more than 20 years, founded and organized by Professor Sansone. It typically brings together more than 40 participants (professors and graduate students) from across Brazil – and from other nations in the Global South (like Mozambique, South Africa, India, Columbia and Cuba) for an intensive study of race and ethnic relations. Themes for the seminar vary each year. This year’s theme – and the focus of Prof. Small’s lectures – was ‘Heritage, Inequality and the Politics of Culture’. Scholars from Germany (Dr. Prof. Dmitri van den Bersselaar), Senegal (Prof. Ibrahima Thiaw), from the Federal University of Bahia (Prof. Jamile Borges) and the State University of Maranhão (Dr. Carlos Benedito Rodrigues) and others gave several lectures on a variety of topics pertaining to the seminar’s themes. Prof. Small’s lectures covered the legacies of colonialism and imperialism in museums and communities across Europe.

Prof. Small also gave a public lecture on the politics of culture – ‘Reggae Music: Jamaica’s gift of Black Consciousness to the world’ – in which he articulated many of the ways in which the politically-inspired lyrics of reggae musicians from Jamaica provide a path to question and challenge the colonized education of western universities. Drawing on some of the top reggae performers in Jamaica – from Bob Marley and the I-Threes, Burning Spear and Mutabaruka, to reggae performers in Europe – like Aswad, Steel Pulse and Linton Kwesi Johnson in England, and Lord Kossity in France’  – he emphasized how knowledge production outside the academy provides an antidote to the distorted and biased teachings on colonialism and its legacies of many academic scholars. The talk received a standing ovation. This was an important confirmation of its relevance and appeal – especially in light of the fact that São Luís do Maranhão is popularly known as the ‘Reggae Capital of Brazil”.

The DTM framework was central to all Professor Small’s presentations and he found that professors and students – and in the public lecture, many people from the broader community – welcomed and applauded the insights provided. During the talks a number of DTM books were sold – at highly discounted prices, given the economic problems confronting many of the students in Brazil. And at the Federal University of Rio de Janeiro, several books were provided free of charge – via a random lottery system organized by Professor Pereira and Lima.

During the 10-day visit – arrangements were made for future visits, and for the possibility of producing books on a range of topics in Brazil and across South America.

Rob Connell, a doctoral student in the Department of African American Studies at the University of California Berkeley, accompanied Professor Small in Rio de Janeiro, and then went on separately to visit the Federal University of Bahia, in the city of Salvador da Bahia in northern Brazil. He was hosted at the federal University by Professor Angela Figueiredo, in the Anthropology department at the university, and a specialist on Gender and Black women in Brazil. At the Federal University, Rob gave a lecture on Maroon Communities, drawing on data and insights from his soon to be completed PhD. in African Diaspora Studies. A group of professors and students attended the lecture and engaged in a discussion with Rob about the similarities and differences between maroon communities in Brazil, (called ‘Quilombos’) and similar communities in Jamaica and Suriname, where Rob has completed his fieldwork. Rob’s work focusses on contemporary Maroon communities and their struggles for sovereignty and independent around state practices and resource extraction. The maroon communities in Jamaica and Suriname both exist on land that has valuable mineral resources and the government of each nation, each of which both recognized Maroon sovereignty, have been refusing to continue such recognition because they seek access to the minerals.  Rob will complete and submit his dissertation later this year. And this visit to Brazil was the first step in the development of his future research after he completes his Ph.D.

Stephen Small has recently been promoted to full professor at the University of california Berkeley

Phot report of the tour in Barzil

 

Hoe bouw je eenheid te midden van verdeeldheid?

Sandew Hira
7 april 2017

Emoties

We zijn nu ruim drie weken verder na de verkiezingen van 15 maart. DENK heeft drie zetels behaald. Artikel 1 een halve. Aan de ene kant is er in de verschillende gemeenschappen enorme vreugde over winst van DENK. Aan de andere kant is er verdriet over het verlies van Artikel 1.

Tijdens de verkiezingen hebben activisten die vroeger met elkaar streden in de verkiezingscampagne soms tegenover elkaar gestaan. Kies je voor DENK of Artikel 1. Je kunt niet op beide stemmen. Je moet kiezen. Die keuzen gaan gepaard met emotie, met passie. Hoe voorkomen we dat die emoties leiden tot verdere verdeeldheid in de gemeenschappen van kleur? Hoe bouw je eenheid te midden van verdeeldheid? Dat is het onderwerp van deze bijdrage.

Wat is eenheid?

Eenheid heeft drie dimensies:

  1. Een ideologische: eenheid van denken en analyse.
  2. Een praktische: eenheid in handelen.
  3. Een organisatorische: eenheid in organisatie.

1. Eenheid in denken en analyse

Eenheid begint in de eerste dimensie: eenheid van denken en analyse. In oude communistische beweging had Lenin het principe ingevoerd van democratisch centralisme om eenheid van denken en handelen te bevorderen. Dat principe hield in dat binnen de communistische iedereen vrij was om kritiek te uiten op voorstellen die vanuit de partijleiding werden gedaan. Als een partijcongres eenmaal een besluit had genomen, dan moeten de leden die tegen dat besluit waren naar buiten toe hun eigen mening achterwege laten en het standpunt van de partij verkondigen, ook al waren ze het er niet mee eens.

Het heeft ten dele gewerkt. De Russische revolutie is mogelijk gemaakt door een partij die dit principe heeft gehanteerd. De Cubaanse revolutie is niet door een communistische partij gerealiseerd. Er zijn dus ook andere modellen die tot succes kunnen leiden.

Het principe van democratische centralisme is door Stalin gebruikt om alle oppositie monddood en letterlijk dood te maken. In het tijdperk van sociale media waar iedereen zijn of haar mening kan verkondigen en grote groepen kan bereiken is het principe van democratisch centralisme al niet meer hanteerbaar.

De vraag die we ons stellen bij eenheid van denken en analyse is: is het wel wenselijk dat er eenheid is in denken en analyse? Op het eerste gezicht zul je zeggen: natuurlijk. Als we eenheid hebben in denken en analyse, dan wordt het gemakkelijker om eenheid te hebben in handelen en organisatie. Daar zit wat in. Maar een verscheidenheid in denken en analyse kan ook heel positief zijn voor sociale bewegingen. De constante discussie en debat kan zorgen voor nieuwe inzichten. Daarom moeten we eenheid van denken niet als een absoluut doel beschouwen, maar als een proces dat zich vormt op basis van gemeenschappelijke ervaringen en democratische discussies.

Eenheid van denken komt voort uit gemeenschappelijke ervaringen. De gemeenschappelijke ervaringen van racisme, islamofobie, beledigingen, achterstelling en onrecht leiden tot een gemeenschappelijke conclusie: er is racisme en islamofobie en daar moet wat aan gedaan worden.

Als je eenheid van denken en analyse hebt, dan betekent dat niet dat je ook eenheid in handelen en organisatie zal hebben. Soms kunnen andere factoren dat verhinderen, zoals persoonlijke ambities of corruptie.

In sociale bewegingen zijn de enige democratische instrumenten die we hebben om eenheid van denken en analyse te bevorderen de gemeenschappelijke ervaring en democratische discussie.

De gemeenschappelijke ervaring betekent dat activisten elkaar moeten opzoeken en de discussie met elkaar moeten aangaan. Pogingen om te verhinderen dat mensen in gesprek gaan met elkaar omdat ze een andere mening hebben zijn in feite pogingen om de eenheid van denken en analyse te saboteren. Bij sommige groepen bestaat een neiging om alleen het gesprek aan te gaan met gelijkgezinde activisten en het debat met andere activisten te vermijden. Daarmee dragen ze bij aan verdeel-en-heers.

Het organiseren van debatten en discussies met activisten van verschillende theoretische stromingen bouwt eenheid van denken en analyse op, omdat het begint met de gemeenschappelijk ervaring om met elkaar te zijn in één ruimte en op een normale manier meningsverschillen te kunnen bespreken. Daardoor wordt een sfeer geschapen waardoor je naar elkaar kunt luisteren en tot je kunt laten doordringen wat er gezegd is.

2. Eenheid in handelen

Eenheid in handelen kan ontstaan als je eenheid hebt in denken en analyse. Vanuit een gemeenschappelijke analyse kun je vervolgens handelingen plannen: een demonstratie, een mobilisatie en allerlei andere handelingen die kunnen voortvloeien uit je analyse. Maar soms kun je eenheid in handelen krijgen hoewel je verschillen hebt in analyse. Je bent het met elkaar eens op een paar punten, maar niet op andere. Die paar punten kunnen genoeg zijn om samen op te treden, hoewel je op andere punten het niet met elkaar eens bent. Soms werk je mee aan een actie, hoewel je het er niet mee eens bent, maar je hebt eenmaal een stuk samen opgetrokken en vanwege solidariteit ga je verder, of vanwege het gevoel dat je wilt dat de praktijk moet uitmaken wat wel of niet juist is.

3. Eenheid in organisatie

Eenheid in organisatie betekent dat je een gezamenlijke organisatiestructuur hebt. Die kan heel los zijn (regelmatig formeel of informeel overleg) of heel strak: lidmaatschap, organisatieprocedures, functies etc. Er zijn tal van organisaties, grote en kleine. Iedereen heeft zijn of haar eigen netwerken en structuren. Dat is ook niet erg. De vorm van organisatorische eenheid zal afhangen van de fase waarin de sociale strijd zich bevindt. Zowel DENK als Artikel 1 hebben bijgedragen aan organisatievorming van de gemeenschappen van kleur. De aanwezigheid van DENK in de Tweede Kamer is een enorme kracht voor de gemeenschappen van kleur, ook voor de zwarte gemeenschap.

Een klimaat van eenheid

Eenheid bouwen in een situatie van verdeeldheid is geen eenvoudige taak. Maar als het inzicht is in wat eenheid is, dan wordt het ook gemakkelijker om te begrijpen dat de eerste taak om verdeeldheid te boven te komen is dat activisten elkaar weer gewoon opzoeken in plaats van elkaar als vijanden te zien. En opzoeken betekent gewoon met elkaar praten, elkaars keuzen respecteren en leren dat passie en emotie goed zijn om je keuzen te bepleiten, maar dat dat goed kan samengaan met respect en waardigheid

Institute for Decolonizing The Mind (DTM)