Vijf misvattingen over terrorisme

Sheher Khan

In het publieke debat en discours over terrorisme zijn een aantal mythes en misvattingen ingeslopen en die voor waar worden aangenomen. Denk hierbij aan de gedachte dat alle aanslagen in het westen gepleegd worden door al-Qaida, Daesh en de gelijken (vanaf nu takfiri terrorisme) en dat er sprake zou zijn van een ‘gouden tijdperk van terrorisme’. Hieronder zal ik met behulp van feitelijke documentatie een vijftal van die misvattingen uit de wereld helpen:

  1. Alle aanslagen in de westerse wereld worden gepleegd door takfiri terroristen;
  2. De meeste slachtoffers van terroristisch geweld vallen in de niet-westerse wereld, maar is de schaal bekend?
  3. Er worden steeds meer terroristische aanslagen gepleegd in West-Europa, met name na 9/11;
  4. De onderschatte dreiging van extreemrechtse terreur;
  5. De sterk overschatte rol van vluchtelingen en nieuwkomers in terrorisme .
  6. Takfiri terrorisme zijn in de minderheid

Terrorisme is (in het westen) niet het exclusieve domein van al-Qaida, Daesh en de gelijken. De meerderheid van de aanslagen worden namelijk niet gepleegd door takfiri terroristen. Sterker, van 2006 en 2013 betrof het in de Europese Unie (EU) een insignificant aantal, namelijk: 0.7%. Volgens Europol kwam in die periode de meeste dreiging vanuit separatistische hoek. In het opvolgende jaar (2014) was één aanslag gepleegd door een takfiri terrorist; in 2015 was dat 17 op een totaalaantal van 121; en in 2016 zakte dat naar 13 van de 142 aanvallen. In het jongste rapport van Europol (2017) wordt nogmaals geconstateerd dat de meeste aanslagen (99 van 142) op naam komen van separatistische bewegingen. Denk hierbij aan afscheidsbewegingen als de IRA, ETA en PKK. De Ierse separatistische groepering Dissident Republicans, ook wel de ‘nieuwe IRA’ genoemd, maakte bijvoorbeeld één dodelijke slachtoffer in maart 2016, toen ze een explosief onder een busje van een gevangenisbewaarder lieten afgaan. Een ander voorbeeld: Britse politica Jo Cox was in juni 2016 om het leven gebracht door rechtse extremist Thomas Mair vanwege haar standpunt m.b.t. Brexit.

Eenzelfde beeld is te zien in de Verenigde Staten (VS). Uit cijfers van de FBI blijkt dat 94% van de terroristische aanslagen, in de periode van 1980 tot 2005, gepleegd waren door daders zonder een islamitische profiel. Een studie ondernomen door de National Consortium for the Study of Terrorism and Responses to Terrorism kwam tot de conclusie dat tussen 1970 en 2011 slechts 7% van alle aanslagen gepleegd waren door terroristen met een “religieuze overtuiging” (hierbij verwijzend naar al-Qaida en de gelijken). Het grootste percentage (32%) maakte groepen op die gemotiveerd werden door een etnonationalistische of een separatistische agenda, vervolgens 28% door single-issues (als dierenrechten of anti-oorlog), 22% extreemlinks en 11% extreemrechts. Een bekend voorbeeld is de slachtpartij aangericht door witte nationalist Dylann Roof. De 21-jarige suprematist richtte zijn geweer op Afro-Amerikaanse kerkbezoekers in Charleston en ontnam daarbij negen levens.

Niettemin, de aanslagen gepleegd door takfiri terroristen van de afgelopen jaren waren wel erg dodelijk. Bij de gewelddaden in Brussel (2016) kwamen 32 burgers om, Nice (2016) 84 en Parijs (2015) 130. Daarmee komt het gros van de slachtoffers in de afgelopen jaren op conto van takfiri terroristen – in de periode 2000 – 2013 tot 40% van alle doden door terrorisme. In het afgelopen jaar zelfs bijna alle doden (135 slachtoffers uit een totaal van 142).

In conclusie: takfiri terroristische aanslagen zijn erg dodelijk, maar is niet het enige gevaar. Extreemrechtse, separatistische en etnonationalistische groeperingen vormen ook een sterke dreiging.

  1. De grootte van de dodelijke gevolgen van terrorisme in de niet-westerse wereld
    Waarschijnlijk is het bij het grote publiek bekend dat voornamelijk de niet-westerse wereld gebukt gaat onder de dodelijke gevolgen van terrorisme. De vraag is echter of de werkelijke schaal bekend is. Een onderzoeksartikel van de Washington Post biedt daarover duidelijk: “Since the beginning of 2015, the Middle East, Africa and Asia have seen nearly 50 times more deaths from terrorism than Europe and the Americas” de Washington Post. Met de grafiek hieronder worden die verhoudingen hieronder gevisualiseerd:

Dodelijke slachtoffers van terrorisme wereldwijd (periode 2001-2014)

Bron: Huffington Post (2015)

De top drie bestaat uit moslimmeerderheid landen. Het eerste westers land op de lijst is de VS op #7. Wanneer 9/11 uit de data wordt gehaald, dan blijft er géén enkel westers land in de top tien over. En ter vergelijking: bij alle door Daesh gepleegde terroristische aanslagen in de westerse wereld (53) kwamen 425[1] om. Terroristisch geweld is dus voornamelijk een probleem voor de niet-westerse wereld.

Hoe komt het dat er onduidelijkheid heerst m.b.t. de schaal van terrorisme in de westerse en niet-westerse wereld? Volgens socioloog Sean Darling-Hammond te maken met de mediaberichtgeving (of het gebrek daaraan). Darling-Hammond verzamelde data van elk van de 300 gerapporteerde terroristische aanslagen in het jaar 2015. Hij constateerde het volgende over het aantal artikelen toegewijd aan terroristische aanslagen in november 2015: 392 mediaberichten over de aanslag in Baghdad; 1.292 aan Beiroet en meer dan 21.000 over de gewelddaad in Parijs. De onderzoeker concludeert logischerwijs dat westerse slachtoffers disproportioneel meer aandacht krijgen dan hun medelotgenoten in de niet-westerse wereld.

Er valt nog iets op gekeken naar de cijfers hierboven: de top tien bestaat veelal uit landen die of onderwerp waren van de door de VS geleide Global War on Terror of de bijgevolgen ervaren. Dat komt beter naar voren in onderstaande grafiek:

Doden door terrorisme wereldwijd

Bron: economist.com

 

Neem Irak. De VS viel het Arabisch land binnen in 2003 op grond van twee redenen: 1) de toenmalige leider, Saddam Hoessein, zou chemische wapens in zijn bezit hebben en 2) hij zou onderdak bieden aan al-Qaida – beide claims bleken ongegrond te zijn. De gevolgen van de invasie waren echter zeer reëel: elf jaar na de illegale inval, in 2014, werden meer Irakezen slachtoffer van terroristisch geweld dan het totale wereldaantal (!) in 2001 – het jaar waarin 9/11 plaats vond en de start betekende van de Global War on Terror. Irak – waar vóór 2003 géén zelfmoordaanslagen geregistreerd waren – is compleet gedestabiliseerd geraakt door de illegale invasie en sindsdien zijn meer dan 40.000 doden gevallen door terroristisch geweld.

Waarom ontbreken deze cijfers in het publieke discours? Volgens intellectueel Noam Chomsky heeft dat niet alleen te maken met een gebrek aan media-aandacht, maar een politieke cultuur waarin onderscheid gemaakt wordt tussen waardige – en onwaardige slachtoffers. Chomsky legt dat uit met het volgende voorbeeld: in 2007 werd een poll gehouden onder burgers in de VS waarbij gevraagd werd om het totale aantal doden in Irak te schatten. De mediaan lag op 10.000. Het werkelijke lag in die tijd tussen de 150.000 en 650.000 doden. Dit verschil in perceptie komt volgens Chomsky als gevolg van een gerichte campagne om zoveel berichtgeving over de (dodelijke) burgerslachtoffers te onderdrukken. Hierdoor probeert de VS te voorkomen dat hun rol in de bezetting en oorlog niet onderwerp van discussie wordt.

Wanneer worden burgerdoden wél als waardig beschouwd? Dat is wanneer ze de agenda van Washington vooruit kunnen helpen. Case in point: hoe Obama middels de dreiging van Daesh weer ‘boots on the ground’ wist te krijgen in Irak. In 2011 weigerde de toenmalige president Nouri al-Maliki om het verblijf van het Amerikaanse leger te verlengen. Dat leidde tot onvrede en verzet in Washington die het liefst zouden willen blijven in Irak. Toen in 2014 Daesh op de westerse radar kwam en burgers wereldwijd bedreigde, werd dat gevaar gebruikt om het aantal Amerikaanse troepen in Irak toe te laten nemen. Daarmee werden de (potentiële) slachtoffers van Daesh gebruikt om het buitenlandbeleid van Washington te rechtvaardigen.

  1. Neerwaartse trend doden terrorisme in West-Europa
    Er vallen steeds minder doden door terrorisme in West-Europa. Dit staat in contrast met de doemscenario’s die sommige experts schetsen van een mogelijke “gouden tijdperk van terrorisme”. Dat is in het geval van West-Europa incorrect. Er is eerder sprake van een neerwaartse trend, zie de grafiek hieronder:

Doden door terroristische aanvallen in West Europa (periode 1970-2015)

Bron: Datagraver.com

Bovenstaande cijfers laten duidelijk zien dat er in de periode na 9/11 aanzienlijk minder dodelijke slachtoffers zijn gevallen dan in de 21 jaar daarvoor. Die trend begon na de Val van de Berlijnse Muur (1989) en zette zich sindsdien voort uitgezonderd uitschieters als Madrid (2004) en Londen (2005).

Verder, als we de doden in Europa uitsplitsen tussen west en oost, is op te merken dat de meerderheid van de slachtoffers in de afgelopen 15+ jaar vielen in het oostelijk deel van de continent (zie hieronder):

Doden door terrorisme per maand: West- versus Oost-Europa

Bron: Washington Post

Volgens experts wordt dat verklaard door het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en de (langdurige) gevolgen van conflicten die (mede) daaruit ontstonden. Denk hierbij aan de conflicten in Joegoslavië, Tsjetsjenië en Oekraïne. De map hieronder laat zien hoe die aanslagen verdeeld zijn in Europa tussen 1970 en 2015:

Geografische verdeling terroristische aanslagen in Europa tussen 1970 en 2015

Bron: Washington Post

Anders gezegd: de heersende gedachte dat de meeste doden vallen in en aanslagen gepleegd worden in het westelijk deel van Europa wordt niet ondersteund door de actuele verdeling van de dodelijke terroristische aanslagen; dat is namelijk in Oost-Europa het geval. Een voorbeeld is de Vakbondsgebouw-aanslag in Odessa (Oekraïne) van 2 mei 2014. Daarbij werden 46 mensen vermoord door de neonazistische Pravy Sektor vanwege hun pro-Russische affiliaties.

  1. Groeiende dreiging extreemrechts geweld
    De dreiging vanuit extreemrechtse hoek is echter niet voorbehouden aan Oost-Europa. In West-Europa en Noord-Amerika zijn terroristische gewelddaden door extreemrechtse terroristen in de opmars. Een recente studie concludeerde dat 1/3 van alle zogeheten lone-wolf terroristen in Europa van extreemrechtse slag zijn.

In de VS zijn soortgelijke bevindingen geconstateerd. Volgens denktank New America zijn er bijna twee keer meer slachtoffers gevallen, in de periode 9/11 tot 2015, door witte suprematisten dan door takfiri terroristen.

Die conclusie wordt verder ondersteund door een recent onderzoek (2017) van het hoogste auditorgaan van de Verenigde Staten – het Government Accountability Office (GAO). Het GOA concludeert dat extreemrechts verantwoordelijk is voor de bulk van de dodelijke terroristische aanslagen, namelijk: 73% tegenover 27% door takfiri terrorisme.

Echter, wanneer terroristische aanslagen worden uitgezet in termen van dodelijke slachtoffers zien we hetzelfde als in Europa: takfiri terroristen zijn verantwoordelijk voor de meeste doden. Dit doet verder niks af van de reële en groeiende dreiging van extreemrechts terrorisme. De gevallen van Breivik, Tristan van der Vlis en Dylann Roof zijn relatief bekend, maar met de volgende voorbeelden wordt dat gevaar nogmaals benadrukt:

  • In 2013 werd de 82-jarige Mohammed Saleem neergestoken door een extreemrechtse terrorist terwijl hij thuiskwam van een moskeebezoek. Saleem overleed snel daarna. Een zelfde lot overkwam de 81-jarige Brits Muhsin Ahmed twee jaar later. In het opvolgende jaar in 2016 werd Labour-politica Jo Cox neergeschoten door een extreemrechtse terrorist vanwege haar politieke positie inzake Brexit;
  • In de VS zijn alleen al in de afgelopen vijf jaar moslims en Afro-Amerikanen vermoord – en in sommige gevallen zelfs geëxecuteerd – door witte racisten vanwege hun religieuze en/of etnische Ook andere (religieuze) minderheidsgroepen als hindoes en sikhs zijn doelwit geweest van extreemrechtse terreur, vaak omdat laatstgenoemde hen verwarren en/of aanzien als moslims;
  • In 2016 werd in Nederland een terroristische aanslag gepleegd op een moskee door een groepje van vijf extreemrechtse racisten.
  • In Griekenland werd in 2016 een vluchtelingenkamp aangevallen door een groep extreemrechtse racisten;
  • Begin 2017 viel een extreemrechtse terrorist een moskee aan in het Canadese Quebec. De dader schoot op de moskeegangers terwijl ze aan het bidden waren en doodde daarbij 6 burgers.

Kortom, dit select overzicht maakt duidelijk dat extreemrechtse terreur niet alleen in opmars is, maar breed in de westerse wereld voorkomt.

  1. Rol vluchtelingen en nieuwkomers overschat
    De instroom van migranten en vluchtelingen leidt automatisch tot meer (terroristische) dreiging. Ten eerste, de rol van migranten en vluchtelingen in aanslagen zijn beperkt. Het in Den Haag gevestigde onderzoeksinstituut ICCT onderzocht (2017) alle door Daesh gepleegde in het westen en concludeerde dat 73% van alle aanslagplegers burgers van hetzelfde land zijn waar zij hun geweld in praktijk brengen. Nog een 14% waren bezoekers of inwoners met een (legale) verblijfsstatus. 6% verbleven in het land zonder documentatie en slechts 5% waren vluchtelingen of statushouders (zie hieronder).

Grafiek afkomst aanslagplegers

Bron: ICCT (2017)

De dreiging vanuit vluchtelingen of statushouders bestaat dus maar is miniem. De overgrote meerderheid van het gevaar (95%) komt van burgers of ingezetenen met een legale verblijfsstatus. Het ICCT onderzoek wordt ondersteund door een studie van de Britse denktank The Henry Jack Society. Zij (2017) constateren dat bij meer dan twee derde van de aanslagen sinds 2005 uitgevoerd zijn door individuen die “who were either born or raised in the UK.”. De New America Foundation stelt in het geval van de VS “every jihadist who conducted a lethal attack inside the United States since 9/11 was a citizen or legal resident”. Een ander recent onderzoek, uitgevoerd onder leiding van politicoloog Robert Pape, komt tot gelijke bevindingen. In het onderzoek genaamd American Face of ISIS waren bij 112 van de Daesh gerelateerde misdrijven nul vluchtelingen betrokken. Libertarische denktank Cato onderzocht die verhouding ook en komt tot de conclusie dat immigranten en vluchtelingen praktisch geen rol hebben gespeeld bij terroristische aanslagen. Vrijwel alle doden komen uit één single gebeurtenis: 9/11 (98.6%). Afgezien daarvan zijn fatale terroristische aanslagen door immigranten of vluchtelingen extreem zeldzaam.

Met recente aanslagen als Berlijn (2016), Ansbach (2016) en Kopenhagen (2016) is het aandeel van nieuwkomers in aanslagen wél gestegen. Volgens het ICCT is de instroom van vluchtelingen en migranten an sich niet het probleem, want: “the number of criminals and terrorists in mass migration movements has been low” en “terrorists often have a criminal background to begin with”. Daesh focust haar operaties vooral in de strijd in Irak en Syrië en de nieuwkomers en immigranten ontvluchten die brandhaarden juist omdat ze tegen de terreurgroepen zijn. De focus daarom zou moeten zijn op propere regulatie.

Ten tweede, het probleem zijn niet de migranten en of vluchtelingen, maar ontstaat het volgens Brookings Institute wetenschapper, Daniel L. Byman, pas als nieuwkomers in contact komen met lokale reeds geradicaliseerde groepen (zogeheten “radicalization hubs”).

Inderdaad, dat zien we in het geval van de 22-jarige Syrische statushouder, Jaber al Bakr, die in oktober 2016 gearresteerd werd op grond van het plegen van een aanslag.

Jaber al-Bakr kwam in februari 2015 aan in Duitsland en ontving status vijf maanden later. Volgens de broer van al-Bakr, Alaa al-Bakr, kwam was Jabr vóór aankomst in Duitsland niet politiek actief of geïnteresseerd. Dat veranderde na aankomst. In Berlijn kwam Jabr al- Bakr in aanraking met extremisten. Een lokale imam zou hem in contact hebben gebracht met en aangespoord om te vechten voor Daesh in Raqqa (Syrië). In september 2015 vertrok Bakr uit Duitsland naar Syrië via Turkije, waar hij ongeveer vijf maanden verbleef en vervolgens twee in Syrië. Op zijn persoonlijke Facebook-pagina is te zien dat al-Bakr vanaf januari 2016 zich begon te sympathiseren met Daesh. Ongeveer twee maanden voordat Jabr zijn gewelddaad wilde plegen werd hij opgepakt door de Duitse autoriteiten. Een andere Syrische statushouder hield hem aan en droeg Jabr vervolgens over (waarna de verdachte zichzelf later ophing in zijn cel).

De conclusie is dat de overgrote meerderheid van de IS-daders burgers van het land waar ze een aanslag in plegen zijn. Slechts een miniem aantal van de IS-aanslagplegers zijn nieuwkomers of ongedocumenteerden. Indien de wens is om terrorisme tegen te houden zou daarom meer aandacht gevestigd moeten worden op lokale geradicaliseerde groepen in plaats van grensbewaking, en in het verlengde daarvan: wáárom extremisten überhaupt voedingsbodem kunnen vinden in westerse samenlevingen.

[1] Volgens het ICCT (2017) kwamen 395 westerse burgers om door Daesh van juni 2014 tot juni 2017. Bij de Manchester-aanslag kwamen 22 burgers om en de daaropvolgende aanslag in Londen ontnam van 8 burgers het leven.

Manchester-aanslag als blowback van westerse interventie

Sheher Khan,  9 juli 2017

In 2011 ontstond kans voor het westen om Gaddafi te verdrijven. Dat was het moment dat de Arabische Opstand aankwam in Libië. In het licht van die doelstelling werden rebellengroepen gesteund die dat konden bewerkstelligen, waaronder ervaren al-Qaida gelieerde doodseskaders als de Libyan Islamic Fighting Group (LIFG).  Om dat doel verder te ondersteunen deden Europese staten de poorten open voor burgers die wilden meestrijden tegen de toenmalige Libische leider.

Na de lynching van de gemeenschappelijke vijand werd er een nieuw doel voor de extremistische rebellen gezocht. Die vonden ze in Syrië. De takfiri terroristen sprongen over naar Syrië om daar te strijden tegen Bashar al-Assad. Al snel kwamen de takfiri terroristen de Syrische oppositie te domineren en dat creëerde op haar beurt weer de rechtvaardiging voor het westen om militair te interveniëren. Bij die westerse luchtaanvallen in Syrië (en Irak) – in 2016 meer dan 26.000 – zijn vele onschuldige levens gevallen, vaak kinderen. Daarmee vestigden de westerse staten de aandacht van takfiri terroristen op zichzelf – en dat hebben ze sinds in de afgelopen jaren ook gedaan, zoals Charlie Hebdo, Brussels en meest recentelijk Manchester.

De Manchester-aanslag kan derhalve geïnterpreteerd worden als een typisch geval van blowback. Salman Abedi, de man die zich op 23 mei opblies in Manchester en 22 (vooral jonge) levens met zich meenam, was een product van NAVO’s agressie jegens Libië in het kader van de Global War on Terror.

NAVO-agressie opent deuren voor al-Qaida in Libië

In 2011 lanceerde de NAVO (in samenwerking met regionale partners als Qatar, Turkije en andere bevriende naties) militaire operatie in Libië. Het beoogd doel was om burgers te beschermen tegen de (vermeende) agressie van Gaddafi. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat die aanklachten tegen de toenmalig Libische leider ongegrond waren. Er is namelijk géén bewijs dat Gaddafi van plan was om een genocide te plegen en dat was wel de basis waarop de militaire interventie gerechtvaardigd was (lees bijvoorbeeld dit Brits parlementair rapport). Voormalig president Obama werd gekozen op een platform dat haaks stond tegenover het agressieve buitenlandbeleid van Bush, maar deed daarmee in essentie exact hetzelfde als zijn voorganger: een soevereine binnendringen onder valse voorwendselen en de legitieme regering omverwerpen.

In het kader van die doelstelling werden allerlei groeperingen gesteund die Gaddafi’s machtsbasis kon doen wankelen. Uit een rapport van de International Crisis Group komt naar voren dat de twee meest invloedrijke oppositiegroepen toentertijd gelinkt waren aan al-Qaida, waaronder de Libyan Islamic Fighting Group. Deze terreurgroep staat jarenlang op de terroristenlijst van landen als Libië, het VK, de VS en VN. Saillant detail: volgens een klokkenluider gaf de Britse inlichtingendienst eind jaren 90 nog steun aan de terroristische LIFG om Gaddafi te liquideren. Dat ze dat later, in 2011, nogmaals deden komt derhalve niet aan als een verrassing. Het aparte is wel dat ze in 2005 op de Britse terroristenlijst geplaatst waren.

Ondanks de problematische achtergrond van de LIFG werden ze opgenomen als onderdeel van de rebellen tegen Gaddafi. Ook zaten ze in het officiële oppositieorgaan genaamd de Transitional National Council; dat was toegegeven door het (Noord-)Amerikaanse Ministerie van Binnenlandse Zaken in 2012; de Libyan Islamic Fighting Group kwam toen de Libyan Islamic Movement for Change te heten. Het feit dat één van hun voormannen, Abdulhakim Belhaj, een veroordeelde al-Qaida terrorist was weerhield de VS en het VK niet om met ze in alliantie te gaan. Belhaj kreeg zelfs hoog bezoek van voormalig presidentskandidaat John McCain en ging met hem op de foto.

Abedi en LIFG

De familie van zelfmoordterrorist Salman Abedi was zelf ook gelinkt aan de LIFG. The Guardian berichtte dat de vader van Abedi meestreed met de terreurgroep tijdens de opstand tegen Gaddafi. Ook begaf Abedi zich volgens de Britse politie in een netwerk van LIFG-sympathisanten en leden. De Britse Telegraph rapporteerde dat een aantal leden van de LIFG dichtbij in de buurt woonde van Abedi. Eén van hen was Abdal Baset Azzouz:

Abd al-Baset Azzouz, a father-of-four from Manchester, who left Britain to run a terrorist network in Libya overseen by Ayman al-Zawahiri, Osama bin Laden’s successor as leader of al-Qaeda. Azzouz, 48, an expert bomb-maker, was accused of running an al-Qaeda network in eastern Libya. The Telegraph reported in 2014 that Azzouz had 200 to 300 militants under his control and was an expert in bomb-making.

Abedi zelf was vermoedelijk ook in contact gekomen met al-Qaida’s tak in Libië. Nadat de opstand tegen Gaddafi begon in 2011, reisde hij meermaals heen en weer van zijn thuisland naar het Noord-Afrikaanse land. Volgens NBC News kreeg hij daar zijn training van al-Qaida. Sterker, Libische autoriteiten meldden dat Abedi (en zijn broer) contacten hadden met Daesh – laatstgenoemde kon voet aan Libische grond krijgen mede dankzij de instabiliteit die ontstond na NAVO’s militaire interventie.

Rat line

Het verhaal van Abedi staat echter niet op zichzelf: vele Britse Libiërs konden vrijuit heen en weer reizen van Engeland naar Libië. Middle East Eye bericht dat ze in die onderneming zelfs gesteund waren door de Britse veiligheidsdiensten. Een aantal Britse Libiërs hebben dat bevestigd tegenover het medium. Eén (anonieme) bron beweert dat hij niet naar Irak kon reizen, omdat de autoriteiten vreesden dat hij zich zou aansluiten bij één van de terreurgroepen, maar die angst was er niet in relatie tot Libië. Hij zegt tegen het online medium: “I was allowed to go, no questions asked”. Volgens de bron was hij niet de enige. Vele strijders, waaronder LIFG-leden, overkwam hetzelfde.

Belal Younies, een andere Brit die naar Libië afreisde, heeft gelijke ervaringen. Hij werd op het vliegveld aangehouden onderweg naar Libië en ondervraagd daarover door twee counterterrorisme officiers. Vervolgens deelde Younies mee dat hij toestemming gekregen had van een MI5 officier (Britse binnenlandse dienst). Daarna kreeg Younies groen licht van de douane om door te reizen. Volgens Younies vond MI5 het geen probleem dat hij van plan was om naar Libië te reizen op voorwaarde dat hij zou strijden tegen de regering van Gaddafi. Het feit dat het gros van deze Libiëgangers leden waren van de aan al-Qaida gelieerde LIFG, of aan deze groep zouden aansluiten in Libië, werd niet gezien als een probleem. Zolang ze maar streden tegen de gemeenschappelijke vijand. Deze terroristenpijplijn naar Libië werd ook wel de rat line genoemd.

Getriggerd door westers buitenlandbeleid

Salman Abedi werd geprikkeld om de aanslag in Manchester te plegen na het zien van beelden van dode Syrische kinderen. Langzamerhand begon hij te radicaliseren. De familieleden, omstanders en moskee lieten aan de autoriteiten weten dat Abedi extremistische neigingen toonde. Volgens de zus van Abedi trok het zien van dode Syrische kinderen door westerse luchtaanvallen hem over de streep.  Waarschijnlijk wilde Abedi zijn gram halen door kinderen in het Verenigd Koninkrijk te doden. Deze tragisch gebeurtenis laat nogmaals zien dat niet religie, maar politiek mensen drijft tot terrorisme.

Manchester-aanslag: NAVO’s blowback

De door NAVO geleide militaire interventie in Libië creëerde ruimte voor de al-Qaida gelieerde Libyan Islamic Fighting Group om te groeien. In de nasleep van de interventie konden ook groepen als Daesh hun plek in het door oorlog geteisterde land opeisen. Een ander gevolg was dat Libië (net als Syrië) omgevormd is tot een school voor takfiri terrorisme. Verwarde Europese jongeren als Salman Abedi komen er geradicaliseerd in en uit als professionele terroristen. Ze zijn vervolgens voldoende opgeleid om slachtpartijen aan te richten.

De trigger is vaak (bloedige) westers beleid in het Midden-Oosten – en in het geval van Abedi de westerse luchtaanvallen in Syrië. De Manchester-aanslag van 22 mei is het jongste (maar niet enigste) voorbeeld daarvan. Eerdere vergelijkbare gebeurtenissen was de aanslag in Parijs of Brussels. Ook daar was te zien dat de oorlog in Libië en Syrië diende als een radicaliseringsplatform voor terroristen én dat westerse interventie hen overtuigde en motiveerde om in revanche aanslagen te plegen in Europa en elders.

De link met NAVO’s militaire interventie en de Global War on Terror wordt daarmee duidelijk: zonder NAVO’s interventie in Libië, diens steun aan al-Qaida gelieerde doodseskaders én westerse luchtaanvallen in Syrië, géén aanslag in Manchester.

 

p.s. Na de aanslag in Manchester volgde die van London. Zie mijn analyse daarvan door hier te klikken.

Waarom “islamitisch” terrorisme niet bestaat

Sheher Khan, 5 mei 2017

Met de komst van Trump en zijn team van witte nationalisten keert ook de botsing der beschavingen retoriek terug. Geïntroduceerd tijdens Bush’ ambtstermijn (en door Obama genuanceerd), spreekt men in het Witte Huis weer openlijk van een inherente en onvermijdelijke clash tussen enerzijds het westen en anderzijds ‘de islam’. In plaats van “violent extremism”, als onder Obama, om terreurgroepen als al-Qaida en Daesh aan te duiden, is de focus nu weer op “radical Islam” en wordt er weer gesproken van “islamic terrorism”.

In dit stuk zal betoogd worden dat er niet zoiets bestaat als “islamitisch” terrorisme.  Ook de nuance aangebracht door voormalig president Obama is onjuist. Religie speelt namelijk geen motiverende rol, ook niet bij extremistische interpretaties. Hier zal daar verder op worden ingegaan, en daarbij het volgende worden toegelicht:

  1. Er bestaat geen causaal verband tussen het aanhangen van de islam en het plegen van terroristische daden;
  2. Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat terroristen niet gemotiveerd worden door religie, maar politiek;
  3. De terroristen beamen dat zelf ook;
  4. Sterker, de meeste terroristen bezitten eens niet over gedegen islamitische kennis;
  5. De islam wordt gebruikt ter rechtvaardiging van wandaden en om een identiteit te vormen;
  6. De islamitische wereld terrorisme afwijzen;
  7. Terrorisme wordt niet alleen door niet-statelijke actoren (e.g. al-Qaida). Ook de staat maakt zich daar schuldig aan.
  8. Het gebruik van “islamitisch” terrorisme is derhalve misleidend en een misvatting en daarom worden alternatieven gepresenteerd: simpelweg terrorisme of Binladenisme en takfiri terrorisme;

Botsing der beschavingen? Extremistische islam?
Waarom sluiten mensen zich aan bij terreurgroepen als al-Qaida en Daesh en plegen ze aanslagen? Een vaak gehoorde antwoord is dat zogeheten “islamitisch geïnspireerde terrorisme”, zoals de naam al doet suggereren, haar oorsprong vindt in ‘de islam’. Volgens wetenschapper Arun Kundnani heersen er twee perspectieven hierop: een culturalistische en liberale kijk[i].

Culturalisten verklaren “islamitisch” terrorisme als gevolg van een inherent conflict tussen het westen en de islam. Een zogeheten botsing der beschavingen. Dat conflict vindt haar oorsprong in ‘de islam’, omdat “the teachings of Islam fail to separate it from the political sphere” en waardoor “the atavisms of religious fanaticism are dangerously introduced into the public realm”. Moslims staan dus constant in conflict met de verheven, verlichte en hoogontwikkelde westers moderne samenleving, en dat vanwege hun geloofsovertuiging . Dit leidt tot de volgende gesimplificeerde logica: persoon A is moslim en dus gevoelig voor radicalisatie en in het verlengde daarvan zelfs voor terrorisme.

Hindostanen in de Tweede Kamer?

Pravini Baboeram/Sandew Hira, 11-4-2017

Als we het standaard beeld over Hindostanen mogen geloven zijn we anders dan andere migrantengemeenschappen. Sommigen positioneren dat exceptionalisme als achterlijk, zoals Shashi Roopram, die met een rammelend onderzoek in 2012 de media-aandacht trok door te stellen dat Hindostanen massaal op de PVV stemmen. Dit verhaal werd maar al te graag overgenomen door mainstream media in aanloop naar de verkiezingen van maart 2017, zie het Algemeen Dagblad en De Correspondent. De paar Hindostanen die werden geïnterviewd werden plotseling het gezicht van een gemeenschap, die kennelijk niet kan inzien dat een racistische partij als de PVV tegen alle gemeenschappen van kleur is. Volgens dit perspectief stemmen Hindostanen vanuit angst en een minderwaardigheidscomplex op een witte man genaamd Geert Wilders.

Anderen positioneren het exceptioneel zijn als het toonbeeld van geslaagde integratie, waarbij Hindostanen vooral een keuze maken vanuit een gevoel van trots en bewust stemmen op een Hindostaan die hun identiteit weerspiegelt en belangen vertegenwoordigt. De gevestigde orde heeft de afgelopen jaren gerekend op dit gevoel en bewust mensen van kleur ingezet in de verkiezingscampagne. In de jaren dat links nog daadwerkelijk links was, leidde dit ook tot Hindostanen in de Tweede Kamer. Deze strategie hebben gevestigde partijen voor alle gemeenschappen van kleur toegepast, maar de PvdA deed dit de afgelopen jaren met het grootste succes.

De PvdA was onder alle migranten, inclusief Hindostanen de belangrijkste partij. Tanja Jadnanansing alleen al heeft in 2010 bijna 10.000 stemmen behaald en in 2012 bijna 32.000 (57% van de stemgerechtigden als we van 55.750 Hindostaanse stemgerechtigden uitgaan), meer dan Sylvana Simons in 2017. De stemmen van de andere Hindostaanse kandidaten hebben we niet erbij geteld.

Tania Jadnanansing 2012 31.655 57%
Tania Jadnanansing 2010 9.983 18%

Maar met de opkomst van extreem rechts en het meewaaien van linkse partijen naar rechts, namen de partijen inclusief PvdA een nieuwe strategie aan: wel Hindostanen en Afro-Surinamers op de kieslijst, maar geen van hen op een verkiesbare plek. Het idee was dat Hindostanen toch wel zouden stemmen op Hindostanen in hun partij en een verandering van bewustzijn onmogelijk zou zijn.

Laten we nu naar de cijfers kijken om na te gaan in hoeverre deze aannames stand houden.

In 2012 presenteerde Shashi Roopram zijn “onderzoek”, dat door Sandew Hira is besproken in een column voor Starnieuws.  In 2017 was er geen nieuw onderzoek. Niemand heeft geregistreerd wat Hindostanen hebben gestemd, dus heb je geen enkele basis om te zeggen dat Hindostanen massaal op de PVV hebben gestemd of op welke andere partij dan ook. Dus moet je naar andere bronnen kijken om een indicatie te krijgen van het stemgedrag van Hindostanen.

Laten we kijken naar de gegevens die we wel hebben. Er wonen ongeveer 350.000 Surinamers in Nederland. Volgens de volkstelling van 2012 bestond de Surinaamse bevolking voor 27,4% uit Hindostanen. Maar de meeste Surinamers waren in de periode 1970-1990 naar Nederland gekomen. Deze verhoudingen geven een vertekend beeld omdat later meer etnische groepen zijn gekomen. Laten we ervan uitgaan dat het aandeel van Hindostanen in de Surinaamse bevolking in Nederland 25% is. Dat betekent dat er 87.500 Hindostanen in Nederland zouden zijn. Het aandeel van de kiesgerechtigde op basis van de leeftijdsindeling van CBS schatten wij op 20% (de CBS-indeling is gebaseerd op een vijfjaarlijkse periode en van 0-20 jaar is het aandeel 22%.) Dat betekent dat 80% kiesgerechtigd was, oftewel 71.750.

De officiële opkomstpercentage was 82%. Als we die hanteren dan betekent dat, dat 55.750 Hindostanen hebben gestemd.

Surinamers in Ned 350.000 Aandeel
Aandeel Hindostanen 87.500 25%
Kiesgerechtigd 71.750 82%
Opkomst 55.750

Waar zijn die stemmen naartoe gegaan? Welke gegevens hebben we hierover? We maken een inventarisatie van de Hindostaanse kandidaten en kijken hoeveel stemmen ze hebben gehad. Er waren negen Hindostaanse kandidaten. In totaal hebben ze 6.459 stemmen behaald.

Partij Kandidaat Tot Aandeel
1.      PvdA R. Moti 2.955 45,8%
2.      PvdA R. Roopram 2.624 40,6%
3.      Nieuwe Wegen R. Durgaram 18 0,3%
4.      D’66 M. Ramlal 174 2,7%
5.      Forum voor Democratie Y. Ramautarsing 97 1,5%
6.      PVV N. Choenni 53 0,8%
7.      VNL S. Chandarsing 8 0,1%
8.      VVD I. Korting 337 5,2%
9.      CDA R. Ramcharan 193 3,0%
Totaal 6.459 100,0%

Bron: Proces-verbaal bekendmaking uitslag Tweede Kamerverkiezing 21-03-2017 van de  kiesraad

De kiesdeler was 70.107 stemmen. De Hindostaanse kandidaten hebben samen dus slechts 9,2% van de kiesdeler behaald. N. Choenni van de PVV heeft minder dan één procent van de Hindostaanse stemmen gehad. Alle verhalen over hoe groot de aantrekkingskracht van de PVV op Hindostanen is wordt hierdoor alleen al ontkracht! Als die aantrekkingskracht zo groot was, waarom heeft Choennie dan niet veel meer stemmen behaald dan de andere Hindostaanse kandidaten? Het is mogelijk dat Hindostaanse kandidaten op niet-Hindostanen hebben gestemd, maar niemand kan bewijzen dat het voornamelijk om één niet-Hindostaanse kandidaat gaat, namelijk Wilders. De cijfers die we hebben indiceren dat de PVV niet veel stemmen heeft getrokken onder Hindostanen. Wie het tegendeel beweert, moet met bewijzen komen.

Er zijn 55.750 Hindostaanse stemgerechtigden. De Hindostaanse kandidaten hebben 6.459 stemmen behaald.

Hindostaanse stemgerechtigden 55.750
Hindostaanse kandidaten 6.459
Rest stemmen 49.291

Waar is de rest van de 50.000 stemmen naar toe gegaan? Die vraag kan je voor alle andere migrantengemeenschappen stellen. Waar zijn de stemmen van de PvdA naartoe gegaan? Naar allerlei partijen. En voor mensen van kleur geldt dat er nu een partij is DENK, die zich expliciet richt op gemeenschappen van kleur en een appel heeft gedaan op de gelijkwaardigheid van hun identiteit en het verbeteren van hun sociale positie.

Het dramatische verlies van de PvdA is weerspiegeld in de Hindostaanse gemeenschap, van minimaal 32.000 naar 6.000. Hindostanen hebben gestemd net als alle andere gemeenschappen van kleur. Ze hebben de PvdA verlaten en zijn naar andere partijen gegaan. Het is denkbaar dat DENK de moslimstemmen uit de Hindostaanse gemeenschap heeft getrokken. Het aandeel van moslims in de Hindostaanse bevolking in Suriname in 2012 was 13%, dat zou 6.311 stemmen zijn op basis van de hierboven genoemde aantal stemgerechtigden.

De cijfers indiceren dat Hindostanen geen exceptioneel stemgedrag vertonen, en zeker niet een stemgedrag dat hen naar de PVV trekt. Sterker nog, de Hindostaanse gemeenschap volgt de trend die in andere gemeenschappen van kleur lijkt te zijn gezet. Maar DENK heeft laten zien dat het niet gaat om of je mensen van kleur in de Tweede Kamer krijgt – die hebben we met regelmaat gehad – maar wat die mensen daar gaan doen voor hun achterban. Te vaak is gebleken dat de sentimenten van identiteit zijn misbruikt om carrière te maken die gekoppeld is aan de agenda van het witte establishment.

Het maatschappelijk bewustzijn in de Hindostaanse gemeenschap over institutioneel racisme groeit. Hindostanen leveren een bijdrage aan die discussie op tal van manieren. Activisme dat vroeger afwezig was, zoals dat ook het geval was in de moslim en Afro-gemeenschap, steekt ook in de Hindostaanse gemeenschap de kop op. De campagnes Holi is geen Houseparty, die strijdt tegen culturele kaping van Holi, en Tetary Moet Opstaan, gericht op realiseren van een borstbeeld van de Hindostaanse verzetsstrijder Janey Tetary, zijn hier voorbeelden van. Hindostanen door heel het land hebben zich zowel online als offline ingezet om een gelijkwaardige plek voor hun identiteit en cultuur te eisen in Nederland.

Voor de toekomst betekent dit dat er meer dan ooit kansen liggen om activisten van de Hindostaanse gemeenschap te verbinden met activisten uit andere gemeenschappen van kleur. Onze uitdaging is om niet zomaar te pleiten voor meer kleur in de kamer, maar voor kleur die het verschil kan maken.

Professor Stephen Small – Lecture tour in Brazil and promotion of DTM publications

Continuing his work spreading the insights from the Decolonizing the Mind framework, and promoting and distributing books of the DTM book series edited by Sandew Hira, Arzu Merali and himself, Stephen Small made a recent visit to Brazil (March 22 – April 2) and gave several lectures. He was accompanied by Graduate Student Robert Connell who also gave presentations.

In Rio de Janeiro, Prof. Small visited the Federal University of Rio De Janeiro, where on Thursday, March 23, he gave a lecture on ‘Theorizing Black Europe’ to a packed audience of professors and students. He was hosted at the Federal university by Professor Amilcar Pereira and Professor Monica Lima. This paper is based on research for his book – 20 Questions and Answers on Black Europe, which will be published later this year. Professor Small also gave a lecture at the State University of Rio De Janeiro, hosted by Professor Joao Feres. He presented a similar paper, but this time it was primarily for graduate students (and professors), mainly completing Master’s Degrees or PhDs in social science. In both talks he received a wide range of questions about Black Europe, about Decolonizing the Mind and about similarities (and differences) in the ways colonialism and imperialism have impacted Brazil, as compared to the nations of Europe.

Professor Small then went to the northern city of São Luís do Maranhão where he gave four lectures in the two-week intensive seminar – ‘The Factory of Ideas’ (Fabrica De Idees), organized by Professor Livio Sansone of the Federal University of Bahia (Salvador). This two-week seminar has existed for more than 20 years, founded and organized by Professor Sansone. It typically brings together more than 40 participants (professors and graduate students) from across Brazil – and from other nations in the Global South (like Mozambique, South Africa, India, Columbia and Cuba) for an intensive study of race and ethnic relations. Themes for the seminar vary each year. This year’s theme – and the focus of Prof. Small’s lectures – was ‘Heritage, Inequality and the Politics of Culture’. Scholars from Germany (Dr. Prof. Dmitri van den Bersselaar), Senegal (Prof. Ibrahima Thiaw), from the Federal University of Bahia (Prof. Jamile Borges) and the State University of Maranhão (Dr. Carlos Benedito Rodrigues) and others gave several lectures on a variety of topics pertaining to the seminar’s themes. Prof. Small’s lectures covered the legacies of colonialism and imperialism in museums and communities across Europe.

Prof. Small also gave a public lecture on the politics of culture – ‘Reggae Music: Jamaica’s gift of Black Consciousness to the world’ – in which he articulated many of the ways in which the politically-inspired lyrics of reggae musicians from Jamaica provide a path to question and challenge the colonized education of western universities. Drawing on some of the top reggae performers in Jamaica – from Bob Marley and the I-Threes, Burning Spear and Mutabaruka, to reggae performers in Europe – like Aswad, Steel Pulse and Linton Kwesi Johnson in England, and Lord Kossity in France’  – he emphasized how knowledge production outside the academy provides an antidote to the distorted and biased teachings on colonialism and its legacies of many academic scholars. The talk received a standing ovation. This was an important confirmation of its relevance and appeal – especially in light of the fact that São Luís do Maranhão is popularly known as the ‘Reggae Capital of Brazil”.

The DTM framework was central to all Professor Small’s presentations and he found that professors and students – and in the public lecture, many people from the broader community – welcomed and applauded the insights provided. During the talks a number of DTM books were sold – at highly discounted prices, given the economic problems confronting many of the students in Brazil. And at the Federal University of Rio de Janeiro, several books were provided free of charge – via a random lottery system organized by Professor Pereira and Lima.

During the 10-day visit – arrangements were made for future visits, and for the possibility of producing books on a range of topics in Brazil and across South America.

Rob Connell, a doctoral student in the Department of African American Studies at the University of California Berkeley, accompanied Professor Small in Rio de Janeiro, and then went on separately to visit the Federal University of Bahia, in the city of Salvador da Bahia in northern Brazil. He was hosted at the federal University by Professor Angela Figueiredo, in the Anthropology department at the university, and a specialist on Gender and Black women in Brazil. At the Federal University, Rob gave a lecture on Maroon Communities, drawing on data and insights from his soon to be completed PhD. in African Diaspora Studies. A group of professors and students attended the lecture and engaged in a discussion with Rob about the similarities and differences between maroon communities in Brazil, (called ‘Quilombos’) and similar communities in Jamaica and Suriname, where Rob has completed his fieldwork. Rob’s work focusses on contemporary Maroon communities and their struggles for sovereignty and independent around state practices and resource extraction. The maroon communities in Jamaica and Suriname both exist on land that has valuable mineral resources and the government of each nation, each of which both recognized Maroon sovereignty, have been refusing to continue such recognition because they seek access to the minerals.  Rob will complete and submit his dissertation later this year. And this visit to Brazil was the first step in the development of his future research after he completes his Ph.D.

Stephen Small has recently been promoted to full professor at the University of california Berkeley

Phot report of the tour in Barzil

 

Hoe bouw je eenheid te midden van verdeeldheid?

Sandew Hira
7 april 2017

Emoties

We zijn nu ruim drie weken verder na de verkiezingen van 15 maart. DENK heeft drie zetels behaald. Artikel 1 een halve. Aan de ene kant is er in de verschillende gemeenschappen enorme vreugde over winst van DENK. Aan de andere kant is er verdriet over het verlies van Artikel 1.

Tijdens de verkiezingen hebben activisten die vroeger met elkaar streden in de verkiezingscampagne soms tegenover elkaar gestaan. Kies je voor DENK of Artikel 1. Je kunt niet op beide stemmen. Je moet kiezen. Die keuzen gaan gepaard met emotie, met passie. Hoe voorkomen we dat die emoties leiden tot verdere verdeeldheid in de gemeenschappen van kleur? Hoe bouw je eenheid te midden van verdeeldheid? Dat is het onderwerp van deze bijdrage.

Wat is eenheid?

Eenheid heeft drie dimensies:

  1. Een ideologische: eenheid van denken en analyse.
  2. Een praktische: eenheid in handelen.
  3. Een organisatorische: eenheid in organisatie.

1. Eenheid in denken en analyse

Eenheid begint in de eerste dimensie: eenheid van denken en analyse. In oude communistische beweging had Lenin het principe ingevoerd van democratisch centralisme om eenheid van denken en handelen te bevorderen. Dat principe hield in dat binnen de communistische iedereen vrij was om kritiek te uiten op voorstellen die vanuit de partijleiding werden gedaan. Als een partijcongres eenmaal een besluit had genomen, dan moeten de leden die tegen dat besluit waren naar buiten toe hun eigen mening achterwege laten en het standpunt van de partij verkondigen, ook al waren ze het er niet mee eens.

Het heeft ten dele gewerkt. De Russische revolutie is mogelijk gemaakt door een partij die dit principe heeft gehanteerd. De Cubaanse revolutie is niet door een communistische partij gerealiseerd. Er zijn dus ook andere modellen die tot succes kunnen leiden.

Het principe van democratische centralisme is door Stalin gebruikt om alle oppositie monddood en letterlijk dood te maken. In het tijdperk van sociale media waar iedereen zijn of haar mening kan verkondigen en grote groepen kan bereiken is het principe van democratisch centralisme al niet meer hanteerbaar.

De vraag die we ons stellen bij eenheid van denken en analyse is: is het wel wenselijk dat er eenheid is in denken en analyse? Op het eerste gezicht zul je zeggen: natuurlijk. Als we eenheid hebben in denken en analyse, dan wordt het gemakkelijker om eenheid te hebben in handelen en organisatie. Daar zit wat in. Maar een verscheidenheid in denken en analyse kan ook heel positief zijn voor sociale bewegingen. De constante discussie en debat kan zorgen voor nieuwe inzichten. Daarom moeten we eenheid van denken niet als een absoluut doel beschouwen, maar als een proces dat zich vormt op basis van gemeenschappelijke ervaringen en democratische discussies.

Eenheid van denken komt voort uit gemeenschappelijke ervaringen. De gemeenschappelijke ervaringen van racisme, islamofobie, beledigingen, achterstelling en onrecht leiden tot een gemeenschappelijke conclusie: er is racisme en islamofobie en daar moet wat aan gedaan worden.

Als je eenheid van denken en analyse hebt, dan betekent dat niet dat je ook eenheid in handelen en organisatie zal hebben. Soms kunnen andere factoren dat verhinderen, zoals persoonlijke ambities of corruptie.

In sociale bewegingen zijn de enige democratische instrumenten die we hebben om eenheid van denken en analyse te bevorderen de gemeenschappelijke ervaring en democratische discussie.

De gemeenschappelijke ervaring betekent dat activisten elkaar moeten opzoeken en de discussie met elkaar moeten aangaan. Pogingen om te verhinderen dat mensen in gesprek gaan met elkaar omdat ze een andere mening hebben zijn in feite pogingen om de eenheid van denken en analyse te saboteren. Bij sommige groepen bestaat een neiging om alleen het gesprek aan te gaan met gelijkgezinde activisten en het debat met andere activisten te vermijden. Daarmee dragen ze bij aan verdeel-en-heers.

Het organiseren van debatten en discussies met activisten van verschillende theoretische stromingen bouwt eenheid van denken en analyse op, omdat het begint met de gemeenschappelijk ervaring om met elkaar te zijn in één ruimte en op een normale manier meningsverschillen te kunnen bespreken. Daardoor wordt een sfeer geschapen waardoor je naar elkaar kunt luisteren en tot je kunt laten doordringen wat er gezegd is.

2. Eenheid in handelen

Eenheid in handelen kan ontstaan als je eenheid hebt in denken en analyse. Vanuit een gemeenschappelijke analyse kun je vervolgens handelingen plannen: een demonstratie, een mobilisatie en allerlei andere handelingen die kunnen voortvloeien uit je analyse. Maar soms kun je eenheid in handelen krijgen hoewel je verschillen hebt in analyse. Je bent het met elkaar eens op een paar punten, maar niet op andere. Die paar punten kunnen genoeg zijn om samen op te treden, hoewel je op andere punten het niet met elkaar eens bent. Soms werk je mee aan een actie, hoewel je het er niet mee eens bent, maar je hebt eenmaal een stuk samen opgetrokken en vanwege solidariteit ga je verder, of vanwege het gevoel dat je wilt dat de praktijk moet uitmaken wat wel of niet juist is.

3. Eenheid in organisatie

Eenheid in organisatie betekent dat je een gezamenlijke organisatiestructuur hebt. Die kan heel los zijn (regelmatig formeel of informeel overleg) of heel strak: lidmaatschap, organisatieprocedures, functies etc. Er zijn tal van organisaties, grote en kleine. Iedereen heeft zijn of haar eigen netwerken en structuren. Dat is ook niet erg. De vorm van organisatorische eenheid zal afhangen van de fase waarin de sociale strijd zich bevindt. Zowel DENK als Artikel 1 hebben bijgedragen aan organisatievorming van de gemeenschappen van kleur. De aanwezigheid van DENK in de Tweede Kamer is een enorme kracht voor de gemeenschappen van kleur, ook voor de zwarte gemeenschap.

Een klimaat van eenheid

Eenheid bouwen in een situatie van verdeeldheid is geen eenvoudige taak. Maar als het inzicht is in wat eenheid is, dan wordt het ook gemakkelijker om te begrijpen dat de eerste taak om verdeeldheid te boven te komen is dat activisten elkaar weer gewoon opzoeken in plaats van elkaar als vijanden te zien. En opzoeken betekent gewoon met elkaar praten, elkaars keuzen respecteren en leren dat passie en emotie goed zijn om je keuzen te bepleiten, maar dat dat goed kan samengaan met respect en waardigheid

Afro Surinamers hebben Syvana Simons NIET laten vallen – Witte Nederlanders hebben haar laten stikken

Sandew Hira, 17-3-2017

Inleiding

Naar aanleiding van de mislukking van Artikel 1 om een zetel te halen bij de Tweede Kamer verkiezingen zijn er in de Afro-Surinaamse gemeenschap geluiden te horen die de eigen gemeenschap neerhalen: zwarte mensen hebben hun eigen mensen laten vallen. Ze zijn nog niet zover in hun bewustzijn en lopen achter.

De feiten tonen het tegendeel. Zwarte mensen hebben Sylvana Simons massaal gesteund. Het is de witte gemeenschap die haar heeft laten vallen. Dit zal ik stap voor stap laten zien.

De potentiële achterban van Simons

Simons heeft een beroep gedaan op de Afro-Surinaamse identiteit vanwege haar eigen achtergrond. Laten we kijken hoe groot haar potentiële achterban is.

Volgens de cijfers van het CBS waren eind 2016 350.000 Surinamers. Volgens de bevolkingstelling van 2012 was het aandeel van “Creolen” in de Surinaamse bevolking in Suriname 15,7% en het aandeel van Marrons 21,7%. In totaal is het aandeel van Afro-Surinamers 37,4%. Maar de meeste Surinamers waren in de periode 1970-1990 naar Nederland gekomen. Deze verhoudingen geven een vertekend beeld. Laten we ervan uitgaan dat het aandeel van Afro-Surinamers in de Surinaamse bevolking in Nederland 30%. Dat betekent dat er 140.000 Afro-Surinamers in Nederland zijn.

Het aandeel van de kiesgerechtigde op basis van de leeftijdsindeling van CBS schat ik op 20% (de CBS-indeling is gebaseerd op een vijfjaarlijkse periode en van 0-20 jaar is het aandeel 22%.) Dat betekent dat 80% kiesgerechtigd was, oftewel 84.000. Bij een opkomstpercentage voor 2017 van 78% betekent dit dat ruim 65.000 Afro-Surinamers hebben gestemd. Artikel in heeft 30.000 stemmen behaald. Dat wil zeggen dat van de 19 Afro-Surinaamse kandidaten de partij van Sylvana Simons bijna de helft van de stemmen heeft gehaald. Hoe kun je dan zeggen dat de Afro-gemeenschap hun eigen mensen hebben laten vallen?

 

Surinamers in Ned 350.000 Aandeel
Aandeel Afro 105.000 30%
Kiesgerechtigd 84.000 80%
Opkomst 65.268 78%
Stemmen Artikel 1 30.258 46%

 

We moeten nog afwachten hoeveel stemmen de andere Afro-Surinaamse kandidaten getrokken hebben. De kiesdeler was 67.240 stemmen. Dus als alle Afro-Surinamers op één kandidaat hadden gestemd, dan had die kandidaat nog geen zetel gehaald omdat hij of zij 2000 stemmen tekort zou hebben.

Het is dus absoluut niet waar dat Afro-Surinamers hun eigen mensen hebben laten stikken. Integendeel.

Het verraad van de witte gemeenschap

De toetreding van Simons tot DENK was een symbool van de eenheid van moslims en de zwarte gemeenschap. Dat werd door de witte machtscentra als de meest gevaarlijke combinatie gezien. Bovendien werd DENK sowieso gezien als een uitdrukking van gekleurde assertiviteit omdat ze durfde de macht uit te dagen in het parlement en daarbuiten. Het verwijt van polarisatie was daarom altijd gericht tegen DENK, niet tegen de PVV of andere rechtse partijen.

Toen Simons besloot om de gekleurde eenheid te breken met het argument dat ze tegen polarisatie is, kon ze onmogelijk dezelfde lijn als DENK volgen maar dan vanuit de zwarte gemeenschap. Het verwijt van polarisatie zou ze dan direct op haar terugslaan. Dus moest ze op de toer gaan van eenheid met witte mensen. Artikel 1 is er voor iedereen, niet alleen voor gekleurde mensen, maar ook voor witte mensen, met name witte vrouwen en de witte LGTB-gemeenschap.

Anja Meulenbelt had haar zin gekregen. In NRC van 16-3-2017 zegt ze dat ze wel op Simons wilde stemmen maar niet op DENK: “Het zat in het conservatisme. Als je kijkt naar de eerste drie die de lijst aanvoeren – drie Turks-Nederlandse mannen – dan zie je ook wel waar hun hart echt ligt.” Haar racisme kan geen onderscheid maken tussen Turken en Marokkanen (Farid Azarkan is een Marokkaan). Al die moslims. Het is allemaal één pot nat voor haar. Ze zijn allemaal Turken.

Simons hoopte met de belofte van Meulenbelt de progressieve witte vrouwen aan te spreken en met witte homo’s de witte LGTB-gemeenschap. Maar die hebben verraad gepleegd en hebben hun belofte niet waargemaakt. De witte gemeenschap heeft haar als een baksteen laten vallen.

Mental slavery in de zwarte gemeenschap

Je zou denken dat deze conclusie simpel en evident is voor iedere kritische activist. Maar zo simpel is het niet. Het zaad van verdeeldheid die Simons gezaaid heeft met haar uittreding uit DENK heeft wortel geschoten onder sommige zwarte activisten. In plaats van dat ze hun begrijpelijke frustratie over het verlies van Simons richten op de witte gemeenschap die hen heeft laten vallen met de belofte dat de verbreking van de eenheid van mensen van kleur beloond zou worden met steun vanuit de witte gemeenschap, richten ze hun pijlen op DENK.

Bij de aanhangers van DENK heerst naast vreugde over de overwinning, ook frustratie over hoe die overwinning eruit had kunnen zien als Simons was gebleven. Als de verbreking van de eenheid van mensen van kleur had geleid tot een zetel voor Artikel 1, dan had je misschien nog de hoop dat de eenheid in de Tweede Kamer tot stand zou kunnen komen in de praktijk van het parlementaire werk. Maar nu zijn er zwarte activisten die hun frustratie richten op DENK met argumenten die direct uit het witte draaiboek van verdeel-en-heers komen:

  • DENK is niet geïnteresseerd in zwarte mensen. In het verleden hebben Afro-Surinamers in de Tweede Kamer gezeten. John Leerdam is degene die vaak een grote mond had. Maar nooit heeft hij de radicale steun die DENK uitsprak in de Tweede Kamer aan de zwarte gemeenschap geëvenaard, omdat hij aan de leiband van de PvdA liep. In de Tweede Kamer heeft DENK Zwarte Piet bekritiseerd en 1 juli herdenking gesteund. DENK is radicaler in haar partijprogramma dan Artikel 1. Ze pleit voor herstelbetalingen! Dus feitelijk klopt dit argument niet en toch wordt het gebruikt door sommige zwarte activisten.
  • Plotseling wordt de politiek van Erdogan onderdeel van de beoordeling van DENK. Nooit hebben zwarte en wit linkse activisten wakker gelegen van de Armeense kwestie of het Koerdische vraagstuk. Nu zijn plotseling deze kwesties een onderdeel van de beoordeling van DENK. Waarom zijn deze kwesties van belang voor de beoordeling van DENK?
  • Van Afro-Surinaamse activisten en wit-linkse die internationale vraagstukken aan de orde willen stellen, zou je mogen verwachten dat hun eerste aandacht zou moeten liggen op het Nederands kolonialisme. In Suriname is er een dekolonisatiestrijd aan de gang. Nederland heeft in Suriname een oorlog gesteund en gefinancierd die aan 450 Surinamers het leven heeft gekost. Waarom hebben deze activisten zich nooit druk gemaakt om die mensen? Hoe komt het dat de Armeense of Koeridische kwestie belangrijker is geworden dat de dekolonisatie van de Nederlandse koloniën?

De nederlaag van Artikel 1 heeft een psychologisch effect van demoralisatie en frustratie. Dat is begrijpelijk. Het zal tijd kosten om hiervan te herstellen. Dat effect is des te groter vanwege mental slavery in de vorm van de weigering om te erkennen dat witte macht werkt via verdeel-en-heers van de gekleurde gemeenschap en de weigering om te erkennen dat Artikel 1 en Sylvana Simons daartoe hebben bijgedragen.

Hoe herstellen we de breuk?

Nu zitten we met de gebakken peren. Voorlopig zal iedereen zijn of haar eigen weg gaan totdat de witte macht ons dwingt om elkaar weer op te zoeken in de strijd. Het is te hopen dat in zowel de zwarte als de moslimgemeenschap er activisten zijn die kunnen uitstijgen boven de emoties van vandaag en kijken naar de lange termijn. In Nederland en in de buitenlandse pers heerst er euforie over het feit dat de PVV niet de grootste partij is geworden. Maar dat is de witte perceptie van de grauwe werkelijkheid dat de grote winnaar in deze verkiezingen rechts is geweest. De PVV is gegroeid. De VVD is geen linkse partij, en ook niet gematigd rechts. Dat heeft ze bewezen door de Turkije crisis die ze kunstmatig geschapen heeft. Ze is bereid om heel ver te gaan als het nodig is. Het Europese Hof van Justitie heeft een uitspraak gedaan met verstrekkende gevolgen: moslimvrouwen kunnen hun baan verliezen als ze een hoofddoek dragen.

We zitten in moeilijke tijden. We hebben niet de luxe om onze frustratie de overhand te laten krijgen en elkaar te bestrijden. Het zal niet gemakkelijk zijn om de negatieve gevoelens te boven te komen, maar voor de toekomst van onze kinderen moeten activisten uit de verschillende gemeenschappen van kleur elkaar opzoeken, hun meningsverschillen bespreken en een basis te vinden om weer samen op te trekken. Dat zijn we verplicht aan onszelf en onze kinderen en kindskinderen.

 

Analyse uitslag verkiezingen Tweede Kamer 2017

Sandew Hira, 16-3-2017

De uitslag

Het is voorbij. De uitslag is binnen voor 366 van de 388 gemeenten. Er zijn 12.980.788 kiesgerechtigden. Bij een opkomst van 77,7% betekent dat 10.086.072 uitgebrachte stemmen. Voor 150 zetels betekent dat een kiesdeler van 67.240. Die kiesdeler zal alleen maar omhoog gaan als alle stemmen zijn geteld.

Hier zijn de uitslagen (bron: www.nu.nl)

Partij % Stemmen 2017 2012
VVD 21,30% 2.148.333 33 41
PVV 13,10% 1.321.275 20 15
CDA 12,40% 1.250.673 19 13
D66 12,10% 1.220.415 19 12
SP 9,10% 917.833 14 15
Groen Links 9,00% 907.747 14 4
PvdA 5,70% 574.906 9 38
Christen Unie 3,40% 342.926 5 5
Partij van de Dieren 3,20% 322.754 5 2
50Plus 3,10% 312.668 4 2
SGP 2,10% 211.808 3 3
DENK 2,10% 211.808 3 0
Forum voor Democratie 1,80% 181.549 2 0
Artikel 1 0,30% 30.258 0 0

DENK heeft 3 zetels. Op basis van de kiesdeler had ze 201.721 stemmen nodig. Ze had 211.808, dus 10.086 meer dan nodig is.

Artikel 1 heeft 30.258 stemmen, dat is 45% van de kiesdeler, dus niet eens de helft van de kiesdeler. Als deze stemmen bij DENK worden opgeteld, dan zou je uitkomen op 242.066 (3,6 zetels), dus afgerond 4 zetels. Als Sylvana Simons bij DENK was gebleven was ze op basis van deze uitslag in de Tweede Kamer gekomen.

Analyse

De opkomst van extreem-rechts

We laten de opkomst van Pim Fortuyn buiten beschouwing en focussen ons op de PVV. De PVV is in 2004 ontstaat toen Geert Wilders uit de VVD stapte naar aanleiding van de discussie over de Turkse toetreding tot de EU en een éénmansfractie vormde. In 2006 nam hij deel aan de verkiezingen onder de naam Partij voor de Vrijheid PVV. Hij haalde 9 zetels in 2006, 24 in 2010, 15 in 2012 en 20 in 2017.

Ze schommelen dus rond de miljoen kiesgerechtigde aanhangers. In tien jaar tijd is hun extreem-rechtse propaganda goed geworteld in de Nederlandse samenleving.

En die invloed doet zich gelden bij de andere partijen. De VVD heeft kans gezien om met de Turkije-crisis die ze gecreëerd heeft de verkiezingen te winnen. En moslims hebben daarvoor de prijs betaald met een toegenomen islamofobie die door alle partijen gesteund werd in deze crisis. Artikel 1 heeft zich stil gehouden tijdens deze crisis.

Mensen denken misschien dat omdat de PVV niet de grootste partij is, het allemaal wel meevalt. Deze cijfers tonen aan dat een klimaat is geschapen door de opkomst van de PVV waar racisme en islamofobie geïnstitutionaliseerd is in de politiek en niet alleen bij de PVV.

Het effect van Sylvana Simons

DENK heeft het heel erg goed gedaan. Aanvankelijk kwam ze niet eens voor in de peiling. Daarna bleef ze in de meeste peilingen op 2 zetels. Haar radikale anti-racistische opstelling in de Tweede Kamer en de durf om de confrontatie aan te gaan met de politieke macht heeft Kuzu en Özturk niet alleen in de Turkse gemeenschap, maar in alle gemeenschappen van kleur respect en waardering opgeleverd. De toetreding van Sylvana Simons heeft de partij een enorme boost gegeven. Als Simons was gebleven, dan was de kans groot dat DENK zelfs meer dan 4 zetels zou hebben gehad, omdat de uitstraling van de eenheid van gemeenschappen van kleur een groot effect zou hebben gehad in alle gemeenschappen van kleur.

De uittreding van Simons heeft DENK minimaal één zetel gekost, maar Artikel 1 geen zetel opgeleverd. Dat is het trieste resultaat van een politieke van verdeeldheid van gekleurde mensen. Als Artikel 1 in de Tweede Kamer was gekomen, dan hadden we ten minste nog het gevoel dat de zwarte en moslimsgemeenschap alsnog samen zouden optreden tegen racisme en islamofobie.

Wie is verantwoordelijk voor deze enorme fout? De direct verantwoordelijkheid ligt uiteraard bij Sylvana Simons. Maar ooit zal duidelijk worden wie achter de coulissen bezig zijn geweest om de eenheid van de gemeenschappen van kleur te verbreken.

Strategische vraagstukken

De verkiezingsuitslag heeft ook een aantal zeepbellen opgeblazen. Activisten in de gemeenschappen van kleur zouden zich hierover diep moeten bezinnen.

De eerste zeepbel betreft de theoretische basis van Artikel 1. De strategie van DENK is gebaseerd op de empowerment van de gemeenschappen van kleur met als doel ze te verenigen tot één gebundelde kracht tegen racisme. Er moet een focus zijn en dat is institutioneel racisme en islamofobie. Artikel 1 is gebaseerd op de theorie van intersectionaliteit, die geen focus legt op institutioneel racisme maar alles met elkaar wil verbinden, met name de verbinding met witte mensen. Die theorie heeft tot deze nederlaag geleid, omdat het gebrek aan focus demobiliserend heeft gewerkt in de gemeenschappen van kleur. Artikel 1 moest het vooral hebben van de Afro-gemeenschap. De witte vrouwen en witte LGTB-gemeenschap heeft haar flink in te steek gelaten. Anja Meulenbelt, die werd opgevoerd als een powervrouw die de witte gemeenschap achter Artikel 1 zou krijgen, bleek weinig te kunnen uitrichten. Gloria Wekker, die ook opgevoerd werd als aan stemmenkanon die de LGTB-gemeenschap zou trekken, heeft weinig impact gehad.

De tweede zeepbel betreft de rol van de Afro gemeenschap als avant garde in de strijd tegen institutioneel racisme. In de strijd tegen Zwarte Piet heeft de Afro-gemeenschap een belangrijke rol gespeeld als voorhoede in de strijd tegen racisme met de inspiratie van het radikalisme van Malcolm X. In die strijd zijn verbindingen gelegd met de moslimgemeenschap en heeft DENK in de Tweede Kamer de stem van de Afro-gemeenschap vertolkt door haar eisen rond slavernijverleden en Zwarte Piet in het centrum van de macht te brengen. Sylvana Simons werd het politieke symbool van deze beweging. Haar toetreding tot DENK was een uitdrukking van die voorhoederol van de Afro-gemeenschap in de strijd tegen institutioneel racisme.

Die voorhoederol zou nog stand kunnen houden als Artikel 1 in de Tweede Kamer was gekomen. Maar de mislukking van deze strategie zou activisten uit de Afro-gemeenschap moeten laten bezinnen op de vraag wat hun rol en betekenis zal zijn in de strijd tegen institutioneel racisme in de toekomst. Zullen ze opnieuw de verbinding zoeken met andere gemeenschappen van kleur of zullen ze blijven steken in het zoeken van verbindingen met witte vrouwen en de witte LGTB-gemeenschap? De toekomst zal het leren.

 

Waarom ik op DENK ga stemmen

Overmorgen zijn er verkiezingen in Nederland. Dan moet iedereen kleur bekennen. De regering van PvdA en VVD hebben samen 79 van de 150 zetels. Bij de huidige prognose vallen ze terug naar 33 zetels. De PVV van Geert Wilders groeit van 15% naar 22%. De opkomst van extreem rechts heeft een directe invloed op het regeringsbeleid, zo bleek afgelopen week in de crisis met Turkije.

Turkije heeft een democratisch gekozen regering onder leiding van Recep Tayyip Erdogan. Op 15 juli 2016 werd door pro-Westerse krachten in het leger een militaire coup gepleegd, maar die mislukte. Daarbij kwamen 300 mensen om het leven en raakten 2.100 gewond. Vliegtuigen vlogen boven de hoofdstad en bombardeerden het parlementsgebouw en het presidentieel paleis. De coup mislukte mede doordat het Turkse volk massaal op straat kwam om de coupplegers te confronteren.

Iedere democraat zou een militaire coup die een democratisch gekozen regering omverwerpt, veroordelen. Niet in Nederland. Geert Wilders riep in het Nederlandse parlement openlijk op tot steun voor de coupplegers omdat ze pro-Westen zijn. En andere partijen steunden zijn houding op een passieve manier. DENK was de enige partij in de Tweede Kamer die zich consequent uitsprak tegen de coup.

Turkije heeft een bevolking van 80 miljoen. Daar zijn veel mensen opgepakt die verdacht worden van medewerking aan de coup en die voor de rechter worden gebracht. In Nederland wordt dat gepresenteerd als iets dat helemaal niet kan en mag. Maar stel dat niet pro-westerse krachten, maar pro-islamitische krachten in Nederland in het leger, ambtenarij, rechtelijke macht etc een coup zouden plegen en het gebouw van de Tweede Kamer en het paleis van de koning zouden hebben gebombardeerd. Hoe zou men hier reageren? Er zouden concentratiekampen worden ingericht waar moslims zonder vorm van protest zouden worden opgesloten op grond van hun geloof. Denk je dat dit een sprookje is? In Amerika werden na de aanval op Pearl Harbour in 1941 120.000 Amerikanen met een Japanse achtergrond zonder vorm van proces in interneringskampen gedurende de rest van de oorlog opgesloten. Gewoon vanwege hun etnische achtergrond.

De opkomst van extreem-rechts heeft geleid tot een verdere worteling van racisme en islamofobie in alle poriën van de Nederlandse samenleving. Dat bleek opnieuw afgelopen week in de crisis die Nederland met Turkije forceerde vanwege de verkiezingen.

Een Turkse minister wilde spreken op een bijeenkomst voor Turken in Nederland. Stel dat dat gebeurd was. Wat zou het effect zijn geweest? Niets. Na zijn toespraak zou hij teruggaan zijn naar Turkije. De Nederlandse media zouden er geen aandacht geschonken. Het is vaker gebeurd in Nederland.

Maar er zijn verkiezingen en Wilders heeft de islamofobie-kaart getrokken in deze kwestie en is voor de Turkse ambassade gaan demonstreren. Daar leverde hij kritiek op Rutte. Hij zei: “Hij gaat studeren en uitzoeken wat er moet. Ondertussen is er geen enkel signaal dat ze niet welkom zijn.” Kort daarop werd hij op zijn wenken bediend en creëerde Rutte een crisis door de ongehoorde maatregel om de landingsrechten te weigeren aan de ene minister en de andere minister die met de auto op weg was naar het Turkse consulaat in Rotterdam het land uit te wijzen.

Deze kwestie levert een belangrijke les voor ons allen: de groei van de PVV zal andere partijen onder druk zetten om nog racistischer te worden, van Groen Links tot en met de VVD. De gemeenschappen van kleur gaan het de komende jaren merken: minder kansen op de arbeidsmarkt, maar racistische en islamofobische uitingen in het dagelijks leven, meer geweld tegen activisten van kleur.

De politieke partij DENK is een antwoord op deze ontwikkeling. Voor het eerst was er een anti-racistisch geluid in de Tweede Kamer dat onbevreesd keiharde kritiek leverde op de traditionele partijen en radikale maatregelen voorstelde in de strijd tegen racisme, zoals quota-regelingen op de arbeidsmarkt. Ik was direct van hen gecharmeerd en heb vanaf het begin publiekelijk mijn steun uitgesproken voor DENK.

Toen Sylvana Simons op 18 mei 2016 toetrad tot DENK was dat een krachtig signaal in de eenheid van moslim activisten en activisten uit de zwarte gemeenschap. Het was het meest radicale antwoord op de PVV. Daarom werd Simons ook zo hard aangevallen. Ze had iets tot stand gebracht dat gevreesd werd door rechtse krachten en zeker niet alleen de PVV: de eenheid van de gekleurde gemeenschappen. Ik was enorm enthousiast over deze stap en heb dat kenbaar gemaakt.

Haar uittreding uit DENK op 24 december 2016 was dan ook een gevoelige klap voor de eenheid in de beweging tegen racisme en islamofobie. Ik vond dat heel erg, te meer toen ik zag dat een witte man, ene Bram Verhappen, één van de drijvende krachten achter de oprichting van haar partij, Artikel 1, was. Zijn inbreng was om de focus te verschuiven van racisme naar homofobie. Hij is zelf homo. Nou steun ik de LGTB-gemeenschap in haar emancipatie, maar die steun betekent niet dat dat moet leiden tot een verschuiving van de focus uit naam van het verbinden van de strijd van verschillende gemeenschappen. De PVV is voor homo-emancipatie. Ons grootste probleem nu is niet homofobie, maar racisme en islamofobie. Ons grootste probleem is de opkomst van extreem-rechts. Daarom zou de focus moeten zijn om te werken aan een eenheid van de gekleurde gemeenschappen en niet op nog een partij die zich richt op alle Nederlanders, zoals Artikel 1 zich presenteert. Ik ben voor een partij die zich richt op mensen van kleur. Koeien, varken en ezels hebben een eigen partij, de Dierenpartij. Waarom is een partij voor mensen van kleur polariserend? Zijn de PvdA, VVD en PVV niet polariserend? Ik vond het jammer dat Simons het argument van polarisatie heeft gebruikt om DENK te verlaten.

Toch moeten we erkennen dat Artikel 1 met name onder de Afro-Surinaamse gemeenschap voor een geweldige positieve dynamiek heeft gezorgd. Het heeft een gevoel van trots gebracht op een zwarte vrouw die durfde om buiten de traditionele politieke partijen een stem te laten horen voor emancipatie. Dat erken, respecteer en waardeer ik.

Maar het is in de eenheid van gekleurde mensen – van moslims en zwarten – die elke dag vernederd en onderdrukt worden, dat we een kracht zullen moeten smeden om het kanker van racisme en islamofobie te bestrijden. Ik zie in DENK een belangrijke kracht in Nederland die deze gedachte uitdraagt. Daarom roep ik op om op DENK te stemmen. Mijn voorkeurstem breng ik uit op een zwarte vrouw op nummer vier van de lijst van DENK: Gladys Albitrouw.

Institute for Decolonizing The Mind (DTM)