Alle berichten van Sandew Hira

Otto Huiswoud, Marcus Garvey en Anton de Kom

Inleiding

In een lezenswaardig artikel over de zoektocht naar de verborgen zwarte geschiedenis van verzet is Mitchell Esajas ingegaan op het opmerkelijk verhaal van Otto Huiswoud en zijn partner Hermien. Dat artikel is het uitgangspunt voor deze bijdrage. Esajas behandelt een debat tussen Marcus Garvey en Otto Huiswoud over de relatie tussen ras en klasse, waarbij Garvey het belang van ras benadrukte en Huiswoud het belang van klasse. Aan het eind van zijn artikel stelt Esajas de vraag: “Wie had gelijk vanuit historisch perspectief, Garvey, Huiswoud of zat er in elk van hun visies een kern van waarheid?”

Deze bijdrage gaat in op die vraag, en nog verder.

Sociaal-democraten en communisten

Het marxisme heeft lange tijd een enorme aantrekkingskracht op anti-koloniale activisten over de hele wereld. De Russische revolutie van 1917 was een inspiratiebron voor veel strijders tegen het kolonialisme.

Ho Chi Min (1890-1969), de leider van de Vietnamese revolutie, vertolkte de gevoelens van anti-koloniale activisten na de overwinning van de Russische arbeiders en boeren op kapitalisme en feodale overblijfselen in Rusland. Zijn autobiografisch verhaal is het verhaal van veel activisten uit de gekoloniseerde wereld. Net als Huiswoud en veel andere activisten vertrok Ho Chi Min uit zijn gekoloniseerde geboorteland naar de Westerse metropool waar hij werkte in allerlei baantjes. Als activist verspreidde hij pamfletten om de misdaden van de Fransen in Vietnam aan de kaak te stellen. De Russische revolutie was een enorme opsteker voor hem: “At that time, I supported the October Revolution only instinctively, not yet grasping all its historic importance. I loved and admired Lenin because he was a great patriot who liberated his compatriots; until then, I had read none of his books.” [1]

De Russische revolutie leidde tot een splitsing in de internationale socialistische beweging, die tot dat toe verenigd was in de Tweede Internationale. Twee stromingen stonden tegenover elkaar: de sociaal-democraten en de communisten.

Ze hadden verschillen op een breed aantal terreinen, o.a.:

  • Kapitalisme: de sociaal-democraten wilden het kapitalisme hervormen, de communisten wilden het afschaffen en een planeconomie vestigen.
  • Strategie en strijdmethode: de sociaal-democraten willen het parlement gebruiken om het kapitalisme te hervormen, de communisten wilden een revolutie organiseren om de parlementaire democratie te vervangen door arbeiders- en boerenraden.
  • Partij-organisatie: de sociaal-democraten wilden een partijorganisatie opbouwen om verkiezingen te winnen voor een parlement, de communisten wilden een strijdbare voorhoede-organisatie die een gewapende revolutie kon leiden om een nieuw politiek systeem te vestigen.
  • Internationaal: de sociaal-democraten waren internationaal verenigd in de Tweede Internationale, de communisten wilden een Derde Internationale oprichten.

De “koloniale” en “neger” kwesties

Op het punt van de koloniën was het verschil ook groot. De sociaal-democraten wilden het behoud van de koloniën, de communisten wilde de bevrijding van de koloniën.

Na de Russische revolutie woedde de discussies in veel socialistische partijen over de twee lijnen. Ho Chi Min vertelt hierover: “Heated discussions were … taking place in the branches of the Socialist Party about the question whether the Socialist Party should remain in the Second International: should a Two and a Half International be founded or should the Socialist Party join Lenin’s Third International? I attended the meetings regularly, twice or thrice a week, and attentively listened to the discussion. First, I could not understand thoroughly. Why were the discussions so heated? Either with the Second, Two and a Half or Third International, the revolution could be waged. What was the use of arguing? As for the First International, what had become of it? What I wanted most to know – and this precisely was not debated in the meetings – was: which International sides with the peoples of colonial countries? I raised this question – the most important in my opinion – in a meeting. Some comrades answered: It is the Third, not the Second International. And a comrade gave me Lenin’s ‘Thesis on the national and colonial questions’ published by l’Humanité to read. There were political terms difficult to understand in this thesis. But by reading it again and again, finally I could grasp the main part of it. What emotion, enthusiasm, clear-sightedness and confidence it instilled into me! I wept for joy. Though sitting alone in my room, I shouted out aloud as if addressing large crowds: ‘Dear martyrs, compatriots! This is what we need, this is the path to our liberation!’. After that I had entire confidence in Lenin, in the Third International.”[2]

De kennismaking van veel activisten uit de koloniën met socialisme en communisme was niet via the Marxistische theorie, maar via de anti-koloniale praktijk, zoals het voorbeeld van Ho Chi Min aangeeft.

Een belangrijke discussie in de internationale socialistische beweging was de discussie op het tweede congres van de Derde Internationale over de zogenaamde stellingen over de nationale en koloniale kwesties in 1920, waar Ho Chi Min naar refereert. Een belangrijke conclusie was dat All communist parties must support by action the revolutionary liberation movements in these countries. The form which this support shall take should be discussed with the communist party of the country in question, if there is one. This obligation refers in the first place to the active support of the workers in that country on which the backward nation is financially, or as a colony, dependent.”[3]

De communisten moesten dus alle steun geven aan de nationale bevrijdingsbewegingen in de koloniën, vooral de communisten in de landen van de kolonisator. Deze stelling kon rekenen op sympathie bij veel activisten uit de koloniën voor de Russische revolutie en het communisme.

De stellingen over de nationale en koloniale kwesties ging over de koloniën. Maar hoe zat het met het rassenvraagstuk in Amerika? Het vierde congres van de Communistische Internationale nam in 1924 een resolutie aan die door Otto Huiswoud (1893-1961) was gepresenteerd onder de naam Billings. Daarin gaf hij een toepassing van de stellingen over de nationale en koloniale kwesties op de zogenaamde “Negro Question”. De eerste twee van de vier stellingen luiden als volgt:

“1. The fourth congress recognizes the necessity of supporting every form of the Negro movement which undermines or weakens capitalism, or hampers its further penetration.

  1. The Communist International will fight for the equality of the white and black races, for equal wages and equal political and social rights.”[4]

Huiswoud had een economische benadering van het “rassenvraagstuk” geheel in lijn met de Marxistische klassenanalyse.

Het is al een opmerkelijke prestatie voor een jongeman uit een Nederlandse kolonie zonder enige intellectueel klimaat om naar Amerika te gaan, daar een leidende figuur te worden in de Amerikaanse communistische beweging en ook nog eens de indiener te zijn op het congres van de Derde Internationale, die toen heel prestigieus was. In veel boeken over de geschiedenis van de Amerikaanse socialistische beweging komt hij prominent voor.

Alleen al om deze reden verdient Huiswoud onze respect en waardering.

Zijn verdiensten lag vooral op het vlak van organisatie. Op het gebied van de Marxistische theorievorming heeft hij geen bijdrage geleverd.

Zwarte marxisten en anti-kolonialisten

Dat is anders voor veel zwarte marxisten uit het Carïbisch gebied. In zijn boek “Black Marxism. The making of the black radical tradition” behandelt Cedric Robinson bijdragen van Marxisten als W.E.B. Du Bois en C.L.R. James.[5] Du Bois is bekend vanwege zijn analyses van de geschiedenis van Zwarten in Amerika en het pan-Africanism. C.L.R. James is ook een grote naam, niet alleen vanwege zijn geweldige analyse van de Haïtiaanse revolutie in The Black Jacobins, maar ook vanwege zijn bijdragen aan de Marxistische theorie (staatskapitalisme, hegeliaanse dialectiek).

Maar er zijn meer zwarte Marxisten, nota bene uit het Caribisch gebied. Oliver Cox – net als C.L.R. James geboren in Trinidad – schreef een monumentaal werk over de relatie tussen ras, klasse en kaste.[6] Daarin probeert hij de marxistische filosofie (historisch materialisme) toe te passen op de relatie tussen ras, klasse en kaste.

Deze marxisten probeerden vanuit de marxistische theorie greep te krijgen op het verschijnsel racisme.

Huiswoud zit helaas niet in dit rijtje.

Het Caribisch gebied leverde wel zwarte denkers die buiten de marxistische theorie analyses leverden over racisme en kolonialisme, maar wel met grote sympathie voor het marxisme. Frantz Fanon is een voorbeeld. Fanon heeft de psychologische effecten van racisme en kolonialisme gefileerd in zijn meesterwerken “Zwarte Huid, Blanke Maskers” en “De verworpenen der aarde”.

Anton de Kom ligt dichter aan tegen Fanon en C.L.R. James. De Kom verkeerde in Nederland in communistische en anti-imperialistische kringen. Hij zag de psychologische effecten van racisme en kolonialisme in Suriname in de wijze waarop haar geschiedenis is vervalst. Hij legt bloot hoe geschiedschrijving de koloniale geest vormt. En net als James heeft hij ook daadwerkelijk met succes gepoogd om de geschiedenis te herschrijven in zijn boek “Wij Slaven van Suriname”. Die bijdrage heeft een enorme impact gehad op veel anti-koloniale activisten in en uit Suriname.

Dekoloniale denkers

De bijdrage van Marcus Garvey is van een heel andere orde. Hij zit volledig buiten het marxistisch kader en presenteert een alternatief theoretisch raamwerk en organisatie.

Garvey zag dat “ras” en racisme niet toevallige of bijkomstige aspecten zijn van het kapitalisme. Het is basis van een wereldsysteem dat met het Westers kolonialisme in het leven is geroepen sinds 1492. Dit systeem had niet alleen een economische dimensie (uitbuiting), maar ook een politieke (onderdrukking en onderwerping), een sociale (de organisatie van sociale relaties langs lijnen van ras en etniciteit) en een culturele (mental slavery). Garvey heeft dat uitgewerkt in een fijnmazige analyse van al deze aspecten. Maar meer nog dan aan theoreticus, was hij ook een geweldige organisator. Hij organiseerde een miljoen zwarten rond zijn filosofie van zwarte bevrijding. Economische bevrijding was niet persé de bevrijding van de heersende klasse, maar bevrijding van een economische mentaliteit waarbij je van anderen afhankelijk bent voor een inkomen. Politieke bevrijding was de bevrijding van Afrika waar uiteindelijk alle Zwarten naartoe konden gaan. Culturele bevrijding was de bevrijding van mental slavery. Huiswoud heeft deze complexe analyse nooit kunnen begrijpen vanuit de marxistische theorie.

De Russische revolutie van 1917 heeft de eerste socialistische staat gevestigd. Die staat is in 1991 ontbonden. De socialistische economieën zijn getransformeerd naar kapitalistische economieën. Dat heeft ertoe geleid dat veel marxisten van kleur – waaronder ik – verder zijn gaan kijken dan de marxistische theorie.

Er is een nieuwe theorie van bevrijding die een kritiek is op zowel het liberalisme als het Marxisme. Die theorie bouwt voort op bijdragen van mensen als Garvey in verschillende delen van de wereld. Er is nog geen coherente en samenhangend theoretisch raamwerk, maar er zijn belangrijke bouwstenen door verschillende denkers geleverd: epistemologie, economische theorie, sociale theorie en zelfs wiskunde.

De uitdaging voor de toekomst is om die coherente theorie verder te ontwikkelen.

Daarin zal geen plaats zijn voor de bijdrage van Otto Huiswoud. Zijn bijdrage en die van zijn partner Hermien ligt op een ander vlak die ook gewaardeerd moet worden en die Esajas heeft behandeld: een zwarte revolutionair die de moed had om het Nederlands kolonialisme te ontstijgen en op internationaal niveau een organisatorische bijdrage geleverd heeft aan de anti-koloniale beweging in Amerika, internationaal en later in Nederland.

Hij hoort thuis in het rijtje van respectabele voorvechters in de strijd tegen kolonialisme, racisme en kapitalisme.

 

Op 25 november vindt de opening plaats van de expositie Zwart & Revolutionair: het verhaal van Hermina en Otto Huiswoud in Vereniging Ons Suriname/The Black Archives, Zeeburgerdijk 19b, 1093 SK Amsterdam. Tijd: 17.30-22.00 uur.

De expositie is open tot 24 februari 2018 van Vrijdag tot zondag van 10:00 tot 18:00 uur. Entree na 25 februari ia vijf euro.

 

 

Bronnen

Cox, O. (1959): Cast, class and race. S study in social dynamics. Monthly Review Press. New York.

Degras, J. (ed.) (1955): The Communist International 1919-1943. Documents. Volume 1: 1919-1923. RIIA.

Duara, P. (ed.) (2004): Decolonization. Perspectives from now and then. Routledge. London.

Ho Chi Minh (2004): The path that led me to Leninism. in: Duara, P. (ed.) (2004), pp. 29-31.

Kom, A. de (2009): Wij Slaven van Suriname. Contact. Amsterdam/Antwerpen.

Robinson, C. (1983): Black Marxism. The making of the black radical tradition. University of North Carolina Press. Chapell Hill.

[1] Ho Chi Minh (2004), p. 30-31.

[2] Idem.

[3] Lenin, V.I. (1920).

[4] Degras, J. (ed.) (1955), p. 401.

[5] Robinson, C. (1983).

[6] Cox, O. (1959).

Balfour Declaration 1917: 100 Jaar Palestijns Verzet, 16 november Amsterdam 19.00-22.00 uur

2 november 2017 markeert het 100-jarig bestaan van de Balfour Verklaring: het moment dat de imperiale Britten besloten om het reeds gekoloniseerde Palestijnse gebied te overhandigen aan een groep Zionisten met als doel de stichting van de staat Israel.

Na verloop van tijd zijn honderden duizenden Palestijnen verdreven van hun thuisland en genoodzaakt om zich elders te vestigen in een gebeurtenis wat de Nakba (catastrofe) wordt genoemd. Tot op de dag van vandaag worden Israëlische nederzettingen gebouwd op Palestijnse dorpen, word Palestijns grondgebied bezet en in toenemende mate ont- en toegeëigend. Ook de Palestijnse keuken, cultuur en tradities worden met uitwissing bedreigd. De continuerende en historische kolonisatie van Palestina en het geweld dat daarbij gepaard gaat word door menige experts zoals de Israëlische historicus Ilan Pappé ookwel aangeduid als een ‘stapsgewijze genocide’. De Balfour Verklaring heeft dus ook een Palestijnse kant van het verhaal.

Op 16 november 2017 organiseren Studio K, Studenten voor Rechtvaardigheid in Palestina – SRP en Back To Palestine een bijeenkomst bij het honderd jarige bestaan van de Balfour Verklaring, die tot de dag van vandaag het tragische lot heeft getekend van de Palestijnse bevolking in bezet Palestina en de diaspora. De vragen die op de bijeenkomst behandeld zullen worden, zijn onder meer: wat is de betekenis van de Balfour Verklaring? Hoe hebben Palestijnen zich verzet sinds het uitroepen van de verklaring in 1917? Hoe proberen Palestijnen bijvoorbeeld de kolonisatie van hun cultuur en tradities (zoals het marketen van traditionele Palestijnse gerechten als ‘Israelisch’) tegen te gaan? Hoe wordt het Palestijnse verzet hier, in Nederland, ondersteund? Welke organisaties en voorbeelden zijn er? Welke politieke partijen hebben de Palestijnse kwestie op hun agenda staan en kunnen we motiveren om voor de Palestijnse zaak op te (blijven) komen?

 

PROGRAMMA

– Palestijns-Nederlandse wetenschapper Hanine Hassan, bekend van o.a. haar stukken op Al-Jazeera, gaat in op het Palestijnse verhaal sinds de Balfour Verklaring in 1917 en de rol van de internationale boycotbeweging tegen ‘Israel’ bij het komen tot een rechtvaardige oplossing voor de Palestijnen.

– SRP ( Studenten voor Rechtvaardigheid in Palestina) deelt zijn/haar ervaringen over hoe je als Nederlandse student het Palestijnse verzet kunt steunen.

– Panel met oa burgerrechtenbeweging Movement X en Fatima Faid die actief is bij politieke partij Artikel1.

 

Entree voor het evenement bedraagt 3 euro. Er hoeft van te voren niet te worden gereserveerd, de kaartjes kunnen op locatie gehaald worden.

Adres: Studio/K, Timorplein 62, 1094 CC Amsterdam

Aanmelding: https://www.facebook.com/events/294718934361044/

Bronnen

IHRC heeft de volgende bronnen samengesteld over de Balfour Declaration.

Artikelen

  1. The Balfour Declaration: Palestine’s British and Zionist Colonial Legacy – Hatem Bazian
  2. The Balfour Declaration Destroyed Palestine, Not the Palestinian People – Ramzy Baroud
  3. Israel simply has no right to exist – Faisal Bodi
  4. Balfour at 100: A legacy of racism and propaganda –  Dan Freeman-Malloy
  5. Remembering Balfour: empire, race and propaganda – Dan Freeman-Malloy

Videos

  1. Independent Jewish Voices: 100 Years After Balfour FULL FILM (24 min)
  2. David Cronin discusses his book Balfour’s Shadow at IHRC (1 uur en 20 min)

BOOK (PDF):

Towards a New Liberation Theology – Reflections on Palestine  – eds Arzu Merali and Javad Sharbaf

Verder zijn er nog twee boeken waar we de aandacht op willen vestigen:

ON THE SOCIOLOGY OF ISLAM: http://shop.ihrc.org/on-the-sociology-of-islam-ali-shariati-3

AMERICAN EXCEPTIONALISM, EUROCENTRISM AND OTHERISATION OF MUSLIMS: http://shop.ihrc.org/american-exceptionalism-eurocentrism-and-otherisation-of-muslims-saied-reza-ameli

Dekolonisatie van de geschiedschrijving van Indonesië

Op 20 oktober organiseerde Histori Bersama een bijeenkomst over dekolonisatie van de geschiedschrijving van Indonesië. Klik hier voor enkele video’s van de bijeenkomst.

Zie ook de inleiding van Ethan Mark van de Universiteit Leiden voor een kritische kijk op het onderzoek.

Als follow-up hebben Jeffry Pondaag en Francisca Pattipilohy het initiatief genomen voor een open brief aan de onderzoekers die met 4,3 miljoen Euro steun van de Nederlandse overheid een onderzoek starten naar extreem geweld in Indonesië in de periode 1945-1949. Klik hier om de open brief te lezen.

Intussen zijn dekoloniale activisten de mogelijkheden aan het bekijken om een alternatief onderzoek naar koloniaal geweld in Indonesië op te zetten.

Meer informatie hierover volgt nog.

Keuvelen over kolonialisme in Indonesië

door Sandew Hira

Er is geld….

Het is weer zover. De zoveelste poging om de anti-koloniale stemming in de Nederlandse koloniale geschiedschrijving tegen te gaan. Het (Koloniaal) Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV), het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) en NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust en Genocidestudies krijgen € 4,1 miljoen subsidie van de overheid om een geschiedschrijving neer te zetten die past in het koloniale zelfbeeld van Nederland, namelijk dat dekolonisatie niet een kwestie was van het beoordelen van een misdaad (kolonialisme), maar een kwestie van het beoordelen van geweld: was het extreem, excessief, van beide kanten etc. Het onderzoek gaat vier jaar duren.

Het onderzoek voldoet aan de norm GIGO: Garbage In, Garbage Out. Je zet er rotzooi in, dan ben je ervan verzekerd dat je er rotzooi uit krijgt. Om te zien welke rotzooi je erin en eruit krijgt, hoef je alleen te kijken naar de studie van Gert Oostindie van het KITLV, één van de trekkers van dit onderzoek. Zijn studie heb ik hier uitgebreid besproken. De conclusie uit mijn analyse van zijn boek “Soldaat in Indonesië” is als volgt: Oostindie toont ook met dit boek aan dat hij een historicus van de kolonisator. Hij spreekt vanuit de positie van de witte Nederlander die nog steeds moeite heeft om een wrede geschiedenis van koloniale onderdrukking onder ogen te zien. Dat doet hij ook nog eens vanuit een racistische opvatting over de Indonesische vrijheidsstrijd die het slachtoffer tot misdadiger maakt.”

er is een koloniaal idee….

De nieuwe studie is in de geest van het werk van Oostindie. De kern van de studie is een onderzoek naar grensoverschrijdend geweld. Naar aanleiding van de studie van Rémy Limbach over structureel excessief geweld in de dekolonisatie-oorlog is een onderzoeksprogramma opgezet dat gaat onderzoeken of de Nederlanders “tijdens de dekolonisatieoorlog structureel grensoverschrijdend geweld hebben gebruikt”. (Dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië, 1945-1950 Onderzoeksprogramma KITLV-NIMH-NIOD, p. 1). Maar ze willen het geweld van de Indonesisiche vrijheidsstrijders ook voorzien van het label “grensoverschrijdend”, dus is een belangrijk deel van het onderzoek gewijd aan “de ‘Bersiap-tijd’ – van medio augustus 1945 tot begin 1946, dus voorafgaande aan de grootscheepse Nederlandse militaire inzet”.

En dan gaan deze witte Nederlanders helemaal los. Want wat is grensoverschrijdend geweld?

En dan gaan sommige witte Nederlanders helemaal los

Mag ik je een mes in de rug steken 10 cm diep of is 6 cm het maximum en daarboven is het grensoverschrijdend. Mag ik twee ballen van je afsnijden of is dat grensoverschrijdend en is de norm één. Nederlanders hebben Indonesische vrijheidsstrijders onthoofd. Hoe doe je dat op een niet grensoverschrijdende manier? Is het gebruik van een kettingzaag grensoverschrijdend? Moet je een kapmes gebruiken en dan in één slag het hoofd afhakken om niet grensoverschrijdend te zijn? Er zijn 150.000 Indonesiërs omgekomen tijdens de vrijheidsstrijd van Indonesië. Is de norm 100.000 om niet grensoverschrijdend? “Grensoverschrijdend geweld” is een item voor standup-comedy. Maar hier is het doodserieus.

Waarom is er een nadruk op de Bersiap-tijd in het onderzoek en hoe is de koppeling met grensoverschrijdend geweld? Om die vraag te beantwoorden moet we begrijpen wat het Nederlandse kolonialisme in Indonesië gedaan heeft. Daarvoor is het verhaal dat gidsen op Bali vertellen instructief.

De ware aard van de koloniale bezetting van Indonesië

Bali bestond voor de Nederlandse invasie uit een aantal Hindoeïstische koninkrijken. De Nederlanders kwamen met grof geschut: kannonen en machinegeweren. De vorsten wisten dat ze daar niet tegen opgewassen waren en besloten liever te sterven dan als slaaf te leven. Ze hadden een ritueel bedacht om dat kenbaar te maken: perang poepoetan. Dat ritueel hield in dat het hele vorstenhuis tot de laatste man en vrouw zou vechten. Letterlijk tot de laatste man of vrouw betekende dat iedereen –mannen, vrouwen, kinderen, zuigelingen – strijdend gaan sterven. Ze kleden zich volledig in witte gewaden en traden de vijand tegemoet. Vrouwen met hun kleine kinderen in de armen trokken met krissen (Indonesische dolken) en lansen naar de militairen in de wetenschap dat zij en hun kinderen door kogels zouden worden doorboord. Kinderen en mannen storten zich in hun witte kleding op de kanonnen en mitrailleurs en werden bij bosjes doodgeschoten. De koning liet zich in zijn crematiegewaad op een draagstoel naar buiten dragen. Op een teken van de koning stootte een priester een dolk in zijn hart. Hij wilde liever zelfmoord plegen dan gedood worden door de Nederlandse kolonisator. Een Perang Poepoetan kost al gauw duizenden levens. Is dit grensoverschrijdend geweld? Wie gaf de Nederlanders het recht om 8.000 km verder land van mensen van kleur te gaan bezetten en hen meedogenloos af te maken? Die vraag wordt in het onderzoek zorgvuldig vermeden.

De verovering van Bali is een model voor de verovering van de rest van Indonesië: grof geweld, veel, ongelooflijk veel moorden en wreedheden. Daarmee hebben de Nederlanders hun heerschappij gevestigd. Dat is gegrift in het geheugen van het Indonesische volk.

Toen eenmaal de heerschappij van de Nederlanders was gevestigd, hebben ze op een gewetenloze manier het Indonesische volk uitgebuit, vernederd en onderdrukt. Een schrijnend voorbeeld was het zogenaamde cultuurstelsel in de 19de eeuw waarbij de boeren gedwongen werden om minimaal 20% van hun grond te gebruiken om producten voor de Europese markt te produceren onder condities die het gouvernement stelde. Een belangrijke onderneming daarbij was de Nederlandse Handels Maatschappij (NHM), opgericht door het Koninklijk Huis. De NHM heeft zich later ontwikkeld tot wat nu de ABN-AMRO is. Het cultuurstelsel heeft geleid tot enorme armoede en hongersnood voor de Indonesiërs.

Het systeem van koloniale onderdrukking, uitbuiting en vernedering heeft honderden jaren geduurd, en begon in de zeventiende eeuw door de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC). De vernedering werd uitgedrukt in borden die bij openbare gelegenheden van Hollanders waren bevestigd: “Verboden voor inlanders en honden”. Hitler had ook zulke borden bij openbare gelegenheden voor Joden. “Verboden voor Joden.” De Nederlanders waren erger dan Hitler. Hitler had de honden nog toegelaten.

Het koloniale systeem werd niet alleen door grof geweld in stand gehouden: politie, leger, veiligheidsdiensten. De kolonisator gebruikten sociale groepen in een verdeel-en-heers strategie. Bovenaan de sociale ladder waren de witte Hollanders. Dan kwamen de Indo’s, afstammelingen van vooral Hollandse mannen die Indonesische vrouwen wisten te verleiden met geld en macht, en soms gewoon verkrachtten. Zij vervulden bestuursfuncties. Vervolgens waren Chinese kapitalisten die de handel controleerden en gehaat werden vanwege hun uitbuitingspraktijken. Dan had je Indonesische collaborateurs bij bestuur, leger, politie en inlichtingendiensten die door hun collaboratie voor veel ellende hebben gezorgd bij de grote verpauperde massa’s. Het Koninklijke Nederlands-Indisch Leger (KNIL) telde veel Indonesiërs die ingezet werden om  hun eigen volk te onderdrukken.

Dit is de context om de zogenaamde Bersiap te begrijpen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog had Japan Indonesië bezet en de Nederlandse kolonialisten gevangen gezet in kampen. Na de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945 riepen Indonesische nationalisten onder leiding van Soekarno twee dagen later, op 17 augustus 1945, de onafhankelijkheid van Indonesië uit. Ze zetten een leger op omdat ze wisten dat de Hollandse kolonisator niet zonder slag of stoot haar kolonie zou opgeven. In juli 1947 stuurde Nederland haar koloniaal leger om de vrijheidstrijd van de Indonesiërs de kop in te drukken. Die vuile oorlog duurde tot begin 1949 en kostte 150.000 Indonesiërs het leven.

De haat tegen de koloniale onderdrukkers en hun collaborateurs voor eeuwen van vernedering, uitbuiting en onderdrukking kwam tot een explosie tussen oktober 1945 tot begin 1946 en kostte duizenden Chinezen en Indonesiërs het leven. Het Indonesische vrijheidsleger had haar organisatie nog niet gevestigd op een wijze waarop ze alle geweld kon controleren. Sommige groepen traden onafhankelijk van elkaar op. Soms was de haat bij de vrijheidstrijders tegen de kolonisator zo groot dat geweld gezien werd als de manier om een einde te maken aan een bezetting die met geweld in stand werd gehouden. Er was nooit een vreedzame bezetting. In 1946 was de zaak gestabiliseerd en had het leger controle over het geweld. Anderhalf jaar later zouden ze het hoofd moeten bieden tegen een meedogenloze militaire invasie van Nederland.

Dit is de context van de Bersiap. Wat willen de koloniale onderzoekers van KITLV, NIMH en NIOD doen?

Ze willen de Bersiap loskoppelen van de koloniale geschiedenis. Het geweld van de kolonisator gedurende enkele eeuwen zal geen onderdeel zijn van hun onderzoek. De horrorverhalen van de Bersiap moeten laten zien dat de vrijheidsstrijd van het Indonesische volk moreel niet te rechtvaardigen was, omdat er mensen op gruwelijke wijze zijn vermoord door vrijheidsstrijders. Het geweld van de kolonisator en die van de vrijheidsstrijders worden gelijk gesteld aan elkaar. Geweld is geweld.

Maar er is een groot verschil tussen geweld van vrijheidstrijders en geweld van onderdrukkers. Als je geweld loskoppelt van het doel, dan leidt dat onherroepelijk tot een negatief oordeel van de vrijheidstrijd. Niemand doet dat als het gaat om de Tweede Wereldoorlog gaat en de strijd tegen het facisme. In februari 1945, Hitler was al praktisch verslagen, hebben de geallieerden, een vreselijk bombardement uitgevoerd op de Duitse stad Dresden met 35.000-100.000 burgerslachtoffers, onschuldige burgers. Begin augustus 1945, toen Japan al praktisch verslagen was, gooide Amerika atoombommen op Hiroshima en Nagakasi om hun nieuwe wapens uit te testen, niet omdat het militair nodig was. Onschuldige burgers waren het slachtoffers; 250.000 onschuldige burgers werden vermoord in die aanvallen. Betekent dat dat de strijd tegen het fascisme niet gerechtvaardigd was? Als er tijdens de Bersiap onschuldige mensen zijn omgekomen, betekent dat dat de strijd tegen de Hollandse bezetting niet gerechtvaardigd was? Die vraag zullen de onderzoekers niet stellen, maar dat is de vraag die ze moeten beantwoorden. Ze hebben een ander doel met hun vraagstelling naar grensoverschrijdend geweld tijdens de bersiap. Het moet twijfel zaaien over de rechtvaardigheid van de vrijheidstrijd van het Indonesische volk. Want als onschuldige mensen worden vermoord, dan moet er toch iets mis zijn met die strijd? Het doel van het onderzoek is het in diskrediet brengen van de vrijheidstrijd van de Indonesiërs. Daarom gaan ze op zoek naar verhalen in Indonesië die laten zien dat “onschuldige” mensen slachtoffers waren van het geweld van de vrijheidsstrijders. Iets wat ze nooit voor Dresden of Hiroshima zouden durven doen.

Het verhaal van de onschuld van collaborateurs moet de deur openen naar de onschuld van het kolonisator. Die meenden het toch zo goed met het kolonialisme. Ze wilden een einde maken aan de bersiap. Daarom vielen ze Indonesië binnen, toen Soekarno eenmaal de onafhankelijkheid had uitgeroepen.

Het onderzoek wil een internationale vergelijking maken. En welke vergelijking kiezen ze? Niet de vergelijking tussen de bezetting van Nederland door de Nazi’s en de bezetting van Indonesië door de Nederlandse kolonisator. Dat zou de meest voor de hand liggende vergelijking zijn. Welke mechanismen van onderdrukking hebben de nazi’s gebruikt en welke zijn door de Nederlanders gebruikt? De Nazi’s hebben geen onthoofdingen uitgevoerd in Nederland. De Nederlanders hebben dat wel gedaan in Indonesië. De Nazi’s hebben Nederland 5 jaar bezet. De Nederlanders hebben Indonesië eeuwenlang bezet. En zo kunnen we doorgaan met een internationale vergelijking. Maar daar kiezen de onderzoekers niet voor. Dit is wat ze willen: Internationaal vergelijkend onderzoek naar de specifieke aard en bredere context van dekolonisatieoorlogen en counterinsurgencies is belangrijk voor een beter begrip van de oorlog in Indonesië (1945-1950) en het daarbij toegepaste grens-overschrijdende geweld. Hierbij zullen in het bijzonder vergelijkingen worden getrokken met Frans en Brits optreden tijdens hun dekolonisatieoorlogen.”

Hoeveel ballen hebben de Britten afgesneden van hun gevangenen en hoeveel hebben de Nederlanders gedaan? Hoeveel onthoofdingen hebben Nederlanders uitgevoerd en hoeveel de Fransen? Dat is hun vergelijking. Het is om te lachen als het niet zo triest was.

Bring in the house negro

Als je € 4,1 miljoen hebt, dan is het niet moeilijk om Indonesische House Negroes bereid te vinden om mee te zingen in het koor van “grensoverschrijdend geweld.”

De Indonesische historicus Bonnie Triyana is zo’n type. In het NOS-journaal word een verslag gemaakt van zijn visie op het onderzoek: “In Indonesië wordt de onafhankelijkheidsstrijd als een glorieus en heldhaftig verhaal verteld”, zegt Triyana in gesprek met NOS-correspondent Michel Maas. “In de geschiedenislessen over deze periode is het aantal doden ondergeschikt aan het resultaat. Het is gewoon de prijs die we als natie voor onze onafhankelijkheid moesten betalen.”

En dat verhaal wil Triyana bestrijden. Ik wil hem horen vertellen aan de Nederlanders: “Jullie bevrijdingsstrijd tegen de Duitsers heeft onschuldige mensen het leven gekost. Dat is niet goed. Je moet het verhaal bijstellen.” De Nederlanders zouden hem aan zijn ballen ophangen en met pek en veren besmeuren.

NOS: “Een onderwerp waar volgens Triyana in eigen land meer over verteld moet worden is de Bersiap, de gewelddadige periode die enkele maanden na de capitulatie van Japan volgde. De Indonesische soldaten, gevoed door nationalistische gevoelens, doodden tussen oktober 1945 en begin 1946 duizenden Nederlanders, Chinezen en Indo’s en alles wat leek op enige vorm van buitenlands gezag. Een groot deel van de slachtoffers bestond uit kinderen, vrouwen en ouderen. ‘Het is belangrijk dat we ook deze kant van het verhaal gaan vertellen’, zegt de redacteur van het geschiedenistijdschrift Historia. ‘Deze slachtoffers waren geen strijders, zij hoorden niet te sterven in deze oorlog.’”

Ja, dat geldt ook voor Dresden en Hiroshima: onschuldige mensen die niet hoefden te sterven. Er is toch iets mis met het glorieuze verhaal van de strijd tegen Hitler en het fascisme.

NOS: “Als het aan de jongere generatie historici in Indonesië ligt, gooien zij zelf ook de archieven open. Dat bleek onlangs ook in Jakarta tijdens de presentatie van het boek Soldaat in Indonesië, 1945-1950 van de Nederlandse historicus Gert Oostindie. Aanwezigen reageerden positief op het boek, dat vol staat met getuigenverklaringen die er op wijzen dat Nederland structureel geweld gebruikte, maar ook sympathiseerde met de dikwijls onvoldoende opgeleide, piepjonge soldaten.”

Oostindië presenteerde zijn koloniaal boek in Indonesië. En wat blijkt? De Indonesische house negroes kregen sympathie voor hun onderdrukkers. De soldaten die hun huizen hadden verbrand, hun moeders, vaders, broers en zusters hadden vermoord, hun land had bezet, die soldaten waren zo piepjong. Wat erg voor de soldaten! Laten we onze familie en ons land vergeten en ons druk maken over de leeftijd van de bezetters. Hoe jong waren de Duitse soldaten die Nederland hadden bezet? Ik heb nooit gezien dat er sympathie was voor piepjonge Nazi’s? Hoe jong waren de vrijheidstrijders tijdens de bersiap? Ik ben benieuwd of het argument van de leeftijd gebruikt zal worden om sympathie te creëren voor de bersiap. Het toont hoe diep de kolonisatie van de geest is bij het publiek dat Oostindie’s boekpresentatie bezocht.

NOS: “Triyana was aanwezig bij de presentatie. Toen de hoogleraar zich hardop afvroeg waarom in Indonesië niemand zo’n boek vol getuigenissen en documenten uit het Indonesisch archief schreef, riep hij spontaan uit: ‘Ik wil dat wel doen!’ ‘Het is nu het juiste moment om de archieven te heropenen, of de uitkomst nou zwart of wit is. Door de confrontatie met het verleden op te zoeken, leren we ook hoe we ermee moeten omgaan’, aldus Triyana.”

Triyana doet alsof er nooit eerder is nagedacht over dekolonisatie van de geschiedschrijving. Geen woord van kritiek op Oostindie, maar een enthousiaste bijval voor zijn koloniale visie op de geschiedenis van Indonesië.

Het nieuwe klimaat

Het onderzoek moet beschouwd worden tegen de achtergrond van wat er in Nederland gebeurd t.a.v. de geschiedschrijving van het kolonialisme. Oostindie was de hoofdmatador in de kolonisatie van de geschiedschrijving “West-Indië”. Zijn instituut KITLV domineerde de geschiedschrijving van Suriname en de Antillen. Daar is flinke kritiek op gekomen vanuit een dekoloniaal optiek waar ze nooit een antwoord hebben kunnen formuleren. Zie voorbeelden hier, hier en hier. Hun autoriteit was aan diggelen. Jonge Surinamers en Antillianen hebben geen boodschap meer aan de koloniale historici. De anti-Zwarte Piet beweging heeft samen met het nieuwe activisme hieraan bijgedragen.

M.b.t. de geschiedschrijving van Indonesië heeft het werk van Jeffry Pondaag en zijn Comité Nederlandse Ereschulden een nieuw klimaat geschapen. Pondaag voerde met succes processen tegen de Nederlandse staat inzake de misdaden die Nederland beging tijdens de vuile oorlog in Indonesië. Nederland stond in het beklaagdenbankje. De veteranen van deze vuile oorlog hebben daar grote problemen mee. Ze houden hun jaarlijkse herdenkingen. Hoe zouden Nederlanders zich voelen als ieder jaar in Duitsland de Duitse veteranen die Nederland hadden bezet in de Tweede Wereldoorlog bij elkaar zouden komen om hun oude banden te versterken. Het zou als een grove belediging worden opgevat.

De veteranen willen een andere stem laten horen: wij hebben misschien foute dingen, maar de Indonesiërs hebben ook foute dingen gedaan. Daarom willen ze meer onderzoek naar de foute dingen die de Indonesiërs hebben gedaan, naar de bersiap, de periode voordat Nederland Indonesië militair ging bezetten om de uitgeroepen onafhankelijkheid teniet te doen. Daarom gaat het onderzoek over grensoverschrijdend geweld en niet over koloniaal geweld en de reactie daarop sinds het begin van het kolonialisme. Daarom krijg je verhalen van Oostindie over piepjonge soldaten waar je sympathie voor moet hebben.

En dit alles gebeurt onder de mom van wetenschap: het zoeken naar nieuwe data. Maar het probleem zijn niet de data, maar de bril waarmee naar de data gekeken wordt. Die bril is een koloniale bril, het is geen wetenschappelijk bril.

Kick-off

Op 14 september organiseren de drie organisaties een kick-off bijeenkomst over hun onderzoek. Dan gaan ze gezellig keuvelen over het kolonialisme met vragen als:

  • Waarom nu pas dit onderzoek? Omdat de beweging voor dekolonisatie van de geschiedschrijving groeit en dit een manier is om de focus van die beweging te verleggen.
  • Gaat het onderzoek nog wel wat nieuws opleveren? Nee, want als je een koloniale bril op hebt, dan maakt het niet uit welke data je verzamelt. Je zult altijd vanuit die koloniale bril ernaar kijken.
  • Is het onderzoek overbodig of hard nodig. Het is hard nodig voor de kolonisator om de focus te veranderen. Het Indonesische volk heeft er niets aan om de legitimiteit van hun vrijheidstrijd aan te tasten.
Apology to Bonnie Triyana and correction

I owe an apology and correction to Bonnie Triyana.
In http://www.iisr.nl/keuvelen-over-kolonialisme-in-indonesie/ I critized him on the basis of an interview he gave to NOS Journaal: https://nos.nl/artikel/2191040-koloniale-oorlog-nederlands-indie-belangrijk-om-ook-de-slechte-verhalen-te-vertellen.html.
According to him https://www.facebook.com/bonnie.triyana/posts/10155219912139055
this interview misquoted him and thereforme my assessment of his position was based on incorrect quotes. I sincerely apologize to Bonnie Triyana for this mistake on my part. I should have contacted him to verify his position before making this assessment. I will place this apology and correction on the website of the article and mention it in the next mailing of the newsletter of IISR.

Evaluatie zes jaar strijd tegen Zwarte Piet

Sandew Hira
6-10-2017

Inleiding

Het is tijd voor een diepgaande evaluatie na zes jaar acties tegen Zwarte Piet. Op 12 november 2011 werd de eerste actie tegen Zwarte Piet tijdens een nationale intocht uitgevoerd door Quincy Gario en Kno’ Ledge Cesare door t-shirts te dragen met de tekst ‘Zwarte Piet is Racisme’. Ze werden gearresteerd voor het dragen van de t-shirts. Het heeft een maatschappelijke discussie ingeleid. In 2013 organiseerde de actiegroep Zwarte Piet Niet een dag voor de intocht in Amsterdam een demonstratie op het Beursplein. Nu ging het niet om twee individuen, maar om een organisatie en een hele groep demonstranten. In datzelfde jaar werd een Facebook petitie georganiseerd om Zwarte Piet te laten zoals het is: 2,1 miljoen mensen tekenden die petitie.

In 2014 gingen activisten georganiseerd en in een grote groep naar Gouda tijdens de nationale intocht. De massa-arrestaties hebben veel media-aandacht gekregen en de maatschappelijke discussie nog meer versterkt.

In 2015 gingen activisten georganiseerd naar Meppel, maar daar werd de demonstratie ingekapseld en mochten ze staan op een plek en hun leuzen roepen zonder dat er iets gebeurde.

In 2016 gingen activisten niet naar de nationale intocht in Maassluis, maar naar Rotterdam. Daar werd hun de toegang ontzegd en volgden opnieuw massa-arrestaties.

Intussen werd op brede schaal in de samenleving de discussie gevoerd over het racistische karakter van het Sinterklaasfeest. Documentaires, debatten, bijeenkomsten, artikelen werden hieraan gewijd.

Nu moeten we ons afvragen. Wat heeft dit allemaal opgeleverd en hoe gaat de anti-Zwarte Piet beweging verder?

Nieuwe sociale beweging tegen racisme

Sociale bewegingen ontwikkelingen zich als een golfbeweging, met op- en neergang. De opgang is meestal van korte duur. De Civil Rights Movement in Amerika beleefde haar hoogtepunt tussen 1954 en 1968.

Nederland heeft verschillende sociale bewegingen gekend: de vrouwenbeweging, de homobeweging, de studentenbeweging, de arbeidersbeweging. Ze hebben allemaal hun eigen golfbeweging. De nieuwe sociale beweging die met Zwarte Piet is ontstaan kunnen we het beste beoordelen als we het vergelijken met de sociale bewegingen van de jaren zeventig en tachtig in de gemeenschappen van kleur. In de eindjaren zeventig, begin jaren tachtig, waren er in de verschillende gemeenschappen van kleur actieve organisaties tegen racisme. Ze waren actief tegen racisme in Nederland, maar hadden ook bindingen met organisaties in hun land van herkomst. Ze hadden veelal een socialistische ideologie als basis. Hun leden waren eerste generatie migranten.

De nieuwe sociale beweging tegen racisme bestaat vooral uit jonge mensen van de tweede en derde generatie, die hier geboren en getogen zijn. Socialisme is niet meer hun narrative, maar een variatie van opvattingen van religie, liberalisme, decoloniaal denken, identiteit en een geloof in een nieuwe multiculturele samenleving met respect en waardigheid voor iedereen.

De anti-Zwarte Piet beweging heeft mensen uit verschillende gemeenschappen van kleur in beweging gebracht en geïnspireerd om hun identiteit vorm en inhoud te geven.

Het vraagstuk van eenheid, solidariteit en verscheidenheid

In iedere sociale beweging zijn er twee krachten die tegen elkaar kunnen inwerken: de kracht voor eenheid, samenwerking en solidariteit en de kracht voor de eigen identiteit, de overtuiging van de juistheid van de eigen analyse en strategie. Het is een grote  uitdaging om de positieve elementen van deze twee krachten te combineren om te voorkomen dat de negatieve elementen werken naar verdeeldheid en sektarisme. De uitdaging zit in het scheppen van een klimaat voor kritische discussie waarin alle meningen aan bod kunnen komen op basis van argumenten en analyse. Hiervoor is nodig dat mensen van uiteenlopende stromingen elkaar regelmatig ontmoeten in één ruimte (fysiek of digitaal) in de erkenning dat ze meningsverschillen hebben en dat juist de reden is om elkaar te ontmoeten in plaats van elkaar te ontwijken. De cultuur van het ontwijken van discussie en debat en alleen willen praten met mensen die het met je eens zijn, bevordert sektarisme en criminalisering van andere activisten die het niet met je eens zijn. Kritiek wordt dan snel gezien als een aanval op een persoon of organisatie in plaats van een bijdrage in discussies over moeilijke zaken van de sociale beweging.

De toekomst zal uitwijzen of deze nieuwe sociale beweging in staat is om met deze uitdaging op een zodanige manier om te gaan dat het de beweging verder omhoog stuwt.

Het vraagstuk van strategie

Een belangrijk onderdeel van de strategie is de jaarlijkse confrontatie met de landelijke Sinterklaas intocht. We moeten ons afvragen wat dat heeft opgeleverd.

De belangrijkste winst is dat er een nieuwe generatie activisten van kleur is die een eerste ervaring heeft met de confrontatie met de staat: geweld en arrestaties. Veel witte radicale activisten hebben die ervaring al gehad en weten daarmee om te gaan. De wijze waarop politie reageert op activisten van kleur is anders dan op witte activisten. Die reactie is harder. Dat is niet vreemd omdat racisme in de politie meespeelt in hun gedrag naar activisten.

Deze ervaring is – hoe gek het ook klinkt – in zekere zin positief. Activisten van kleur die een zekere vrees hadden voor de confrontatie met het geweldsapparaat van de staat leren om te gaan met die vrees.

Een tweede winst is het inzicht dat Zwarte Piet niet een op zichzelf staand verschijnsel is. Het gaat niet alleen om de figuur van Zwarte Piet bij de Sinterklaasviering. De acties bij de intocht worden verbonden met de oorzaken van racisme: de een zoekt die oorzaken in de persoonlijke interacties tussen mensen (alledaags racisme) en de ander in de werking van instituties (institutioneel racisme).

Een derde winst is dat de publieke confrontatie heeft geleid tot een scherpe maatschappelijke discussie waar miljoenen mensen bij betrokken zijn in de huiskamer, op het werk, in sportverenigingen en overal waar mensen elkaar ontmoeten.

Een vierde winst is dat andere gemeenschappen van kleur op hun eigen manier de discussie over Zwarte Piet koppelen aan racisme, inclusief culturele kaping, en islamofobie.

Zoals de sociale beweging leert van haar ervaring, zo geldt dat ook voor de andere kant: de witte macht. Bij delen van de witte samenleving begint het besef door te dringen dat Zwarte Piet moet verdwijnen. De staat heeft haar conclusie getrokken: ze gaat geen leidende rol spelen in het afschaffen van Zwarte Piet. Daarvoor is de macht van de sociale beweging nog te zwak. De nationale intochten leveren geen verrassingen meer op. De draaiboeken liggen klaar, zowel voor inkapseling (ga op een plek staan die we je aanwijzen, schreeuw de longen uit je lijf en ga daarna naar huis) als voor arrestatie (wie niet horen wil, moet voelen). Het is een miljoen keer gedaan bij andere sociale bewegingen.

De NTR, die een leidende rol speelt in de Sinterklaasviering, heeft een soortgelijke conclusie getrokken. Aanvankelijk leek ze onder druk van de sociale beweging te spelen met het idee van gekleurde Pieten, maar daar is ze nu van af gestapt volgens Willemijn Francissen, mediadirecteur van de NTR: “We laten onze oren niet hangen naar welke extreme groep dan ook… Maar we weten allemaal dat je zwart wordt als je door een schoorsteen gaat en dat is wat Pieten doen. Bij ons is zwart geen huidskleur, maar roet… Die hele discussie heeft het voor best veel mensen bijna verpest, ook voor programmamedewerkers.”

Focus op scholen, kinderen en gezinnen

De protesten bij de nationale intochten zullen gewoon doorgaan. Maar er zou ook een focus moeten zijn op de plek waar het feest het meest intensief gevoerd wordt: op scholen. Ouders, niet alleen ouders van kleur, zouden zich moeten verenigen en samen acties plannen op hun school en die acties in de publiciteit brengen. De school zou het nieuwe toneel van confrontatie moeten zijn. Daar zou de discussie moeten plaatsvinden. Dat vereist een andersoortige voorbereiding van de sociale beweging: hoe breng je ouders met elkaar in contact, welke acties werken wel en welke niet en waarom wel of niet, hoe kun je elkaar steunen, hoe kunnen activisten die geen kinderen op school hebben de ouders kunnen steunen. Wat op school kan, kan ook in een instelling of onderneming. De creativiteit van de sociale beweging moet zich ook richten op de werkplek en het klaslokaal. Er is de afgelopen jaren al ervaring opgedaan met deze strategie. Die ervaring zou meegenomen moeten worden in het ontwikkelen van deze focus.

Internationalisatie

Een tweede focus is internationalisatie. De periode in de aanloop naar 5 december biedt geweldig veel visueel materiaal om in het buitenland zichtbaar te maken hoe racistisch Nederland is. Als de NTR haar woord houdt, hoef je alleen al hun uitzendingen op te nemen en van Engelstalig commentaar te voorzien. Koppel dat aan de opkomst van extreem-rechts (Wilders is heel bekend in het buitenland) dan heb je twee ingrediënten om het ware gezicht van racistisch Nederland in het buitenland te tonen.

Ook hier zou de sociale beweging een gerichte organisatie of netwerk moeten opzetten om op systematische wijze het buitenland van informatie te voorzien met de simpele boodschap: protesteer tegen racisme in Nederland bij de Nederlandse ambassade, bij Nederlandse ondernemingen en instellingen die in het buitenland opereren. Laat men hun solidariteit tonen met de slachtoffers van racisme in Nederland. Klaag Nederland aan op internationale podia met de combinatie Wilders en Zwarte Piet.

Het vraagstuk van organisatie

Of dit zal werken hangt af van het vraagstuk van organisatie. De sociale beweging wordt gekenmerkt voor versplintering, leiderschapsissues, en een cultuur van verdeeldheid en onderlinge confrontatie in plaats van een cultuur van solidariteit en discussie.

Wat voor organisatie op te bouwen in de gemeenschappen van kleur, hoe de gemeenschappen van kleur met elkaar te verbinden, hoe de confrontatie aan te gaan met de witte macht, hoe de relatie met witte activisten te ontwikkelen. Dit zijn de belangrijke onderwerpen die de toekomst van de nieuwe sociale beweging zullen bepalen.

Drie evenementen over kritisch denken

Woensdag 25 oktober Brussel: Reparations

Het Festival des Libertés organiseert op 25 oktober een workshop over reparations. Sandew Hira zal een bijdrage leveren aan de workshops over de economische aspecten van reparations

Organisatie: Festival des Libertés

Datum: Woensdag 25 oktober van 18.00 uur.

Plaats: Théâtre National, Brussel

Toegang: gratis.

Facebook: https://www.facebook.com/events/1861779960504559

Donderdag 26 oktober Amsterdam: eerste deel van een serie over kritisch anti-imperialisme

Op 26 oktober begint de eerste aflevering van een serie van drie over critical anti-imperialism. De serie is in het Engels. De onderstaande informatie is dat ook.

While the term (anti-)imperialism is often associated with the Cold War era, in recent decades we have witnessed direct Western military intervention in Serbia, Haiti, Afghanistan, Iraq, Syria and Libya, and hear the war drums beating in places like Venezuela, Eastern Europe and North Korea. During these interventions, many Western-left political tendencies tried to balance their resentment towards Western national-corporate war machines with a disdain for what has been portrayed as “dictatorial regimes of the Third World”. Meanwhile, mainstream corporate media continues to justify Western interventions while leaving out critical analysis of imperialism, and sometimes lying about the actions of national governments.

In the Netherlands, anti-imperialism was an essential feature not only of the Communist Party but also of historical figures like Anton de Kom, Otto Huiswoud and Poncke Princen and Nelson Mandela. However, since the waning of the anti-war movement, the rich tradition of anti-imperialism has disappeared. As if pacifists and the left activists have been afraid to be identified with non-democratic political forces in the Global South, the movements for emancipation and sustainability have kept silent while NGOs have called for Western military and economic intervention, no-fly zones and other measures curtailing the sovereignty of postcolonial countries.

From a decolonial perspective, international relations continue to be dominated by colonial- historical structures, where race is found to be the organizing principle of the world capitalist system. While capitalist economy can be seen as the impulse for imperialism, the inequalities and oppression experienced by much of humanity under imperialism continues to follow historical colonialism. The great leaders of 20th century liberation movements in Africa, Asia, Latin America and the Caribbean, together with the champions of civil rights in Europe and North America, all identified themselves as anti-imperialists. What would a critical anti-imperialism look like today, and how can it serve to foster solidarity among nations of the South and colonized people of the North?

The questions in the series are:

  • What are the local dynamics of the conflict?
  • What are foreign influences?
  • And how do these follow a historical pattern?

These are the sessions:

  • Session 1: Russia and Ukraine. Speakers: Chris de Ploeg and Sheher Khan
  • Session 2: Venezuela and Cuba: Antonio Carmona Baez and Angie Gonzales Fren
  • Session 3: Paneldiscussion wit comparative analysis: Chris de Ploeg, Sheher Khan, Antonio Carmona Baez and Angie Gonzales Fren

Organisatie: Studio Kl, Decolonial International Network (IISR), Critical Collective, ILSP-Network

Data:

  • Session 1: donderdag 26 oktober
  • Session 2: donderdag 2 november
  • Session 3: donderdag 7 december

Tijd: 19.00-22.00 uur (inloop 18.30).

Plaats: Studio K, Timorplein 62, Amsterdam.

Toegang: gratis.

Facebook: https://www.facebook.com/events/358650487926841

Vrijdag 27 oktober Amsterdam: (MIS)informed

Op vrijdag 27 oktober vindt het eerste (MIS)informed symposium plaats. (MIS)informed is een symposia reeks waar wetenschap en praktijk bij elkaar wordt gebracht om een ieder te verrijken met inhoudelijke kennis.

Het eerste symposium wordt georganiseerd in het kader van de Maand van de Verzwegen Geschiedenis. Het gaat over het Eurocentrisch beeld van de geschiedenis en de gevolgen daarvan. Tijdens deze bijeenkomst vindt de presentatie plaats van het boek “Boterzacht & Flinterdun: De Ontmaskering van Eurocentrisme” van Djehuti-Ankh-Kheru. Dit boek handelt over de oneigenlijke argumenten die het Eurocentrische academische establishment gebruikt om de Afrikaans gecentreerde visie op de geschiedenis aan te vallen. Het is een uitvloeisel van een debat dat New Urban Collectief heeft georganiseerd over de vraag: Hoe verhouden Eurocentrische en Afrocentrische claims zich tot elkaar met betrekking tot de bijdrage van Afrika aan de vorming van de Grieks-Romeinse cultuur en daarmee aan de bakermat van de Europese beschaving?

Op de bijeenkomst zal Simone Zeefuik spreken over eurocentrische denkbeelden in Nederlandse musea en de campagne#DecolonizingTheMuseum. Patty Gomes zal spreken over de geschiedenis van de slavernij vanuit een zwart perspectief.

Organisatie: IZI SolutionsNew Urban Collective en The Grapevine Enterprise.

Datum: vrijdag 27 oktober van 18.30-22.00 uur.

Plaats: Vrije Universiteit, Boelelaan 1105, Amsterdam.

Toegang: gratis.

Facebook: https://www.facebook.com/events/1843439575986047/

Aanmelding: https://goo.gl/forms/mj3xlwP2SLzDzPbu2

Waarom Barnet Lyon moest vallen en Tetary moet opstaan

Sandew Hira
21 september 2017

De verwijdering van het borstbeeld van Barnet Lyon afgelopen zaterdag en de onthulling van het standbeeld van Janey Tetary door de president a.s. zondag van 17.00-18.00 uur op de hoek van de Henck Arronstraat en de Grote Combéweg vervult veel Surinamers, en zeker de Hindostanen, met een gevoel van trots over dit historische moment.

Zoals te verwachten was, zijn koloniale historici in de aanval gegaan. Maurits Hassankhan heeft in Dagblad Suriname dekoloniale historici beschuldigd “Doelbewust of onbewust met geschiedvervalsing” bezig te zijn. Zijn argument is dat Hindostanen indertijd massaal geld hebben opgebracht als eerbetoon aan Barnet Lyon. Barnet Lyon heeft veel goeds gedaan voor Hindostanen. Het is geschiedvervalsing om te beweren dat dat niet zo is. Daarom mag zijn borstbeeld niet worden weggehaald.

Laat mij de twee argumenten nader analyseren. Ik begin met het laatste, met dank aan Radjinder Bhagwanbali die zo genereus was om zijn bronnenmateriaal over Barnet Lyon met mij te delen.

George Henry Barnet Lyon was een belangrijke figuur in de koloniale elite van Suriname. Hij heeft allerlei functies bekleed als kolonisator. Hij was niet alleen agent-generaal, maar ook voorzitter van de plantersvereniging, eigenaar van plantage Jagtlust, lid van het Hof van Justitie, waarnemend-procureur generaal en lid van de Raad van Bestuur van Suriname. Zijn vader was een slavenmaker. Zijn familie heeft veel geld verdiend aan een misdaad tegen de menselijkheid.

De archieven van Suriname hebben veel informatie over deze figuur. In de koloniale geschiedschrijving wordt hij gepresenteerd als de “koelie papa”, de beschermheer van de Hindostaanse contractarbeiders. Dat beeld is gebaseerd op het werk dat de tolk Sitalpersad, de pleegzoon van Barnet Lyon, heeft gedaan om een positief beeld te schetsen van zijn pleegvader. De archieven geven een ander beeld.

In 1874 initieert Barnet Lyon samen met de Procureur Generaal de herinvoering van lijfstraffen (zoals tijdens de slavernij). Het verschil met slavernij was dat de contractarbeiders “slechts” 30 rottingslagen per keer mochten worden toegebracht. De lijfstraffen werden toegepast op mannen en vrouwen, Hindostaanse en Chinese contractarbeiders, maar ook op vrij Creoolse contractarbeiders. Bron: Min. Van Kol: 1850 – 1900; Resolutien: 11 – 14 februari 1876; Inv. nr 2860.

Hij pleitte voor het “oude plantagestelsel’ uit de slavernij met een duidelijke hiërarchie tussen meester en slaaf. Bron: Min. V. Kol: 1850 – 1900; Resolutien: 12 – 15 jan. 1877; Inv. 2952.

Barnet Lyon had ook sadistische trekken. Zo liet hij 15 gevangenen gedurende 15 dagen zonder bescherming van handen en voeten branti maka (met scherpe doorns) kappen op zijn plantage. Bron: Handelingen van de Koloniale Staten: 1880 -1881 p.95.

Vooral moslim contractarbeiders hadden een hekel aan Barnet Lyon. Na de toewijzing aan plantage Jagtlust van Barnet Lyon wilden ze zo snel mogelijk de plantage verlaten vanwege de behandeling die ze kregen. Bron: Min. Van Kol: 1850 – 1900; Gouvernement Journaal van Suriname; Inv. nr.6897.

Barnet Lyon was waarschijnlijk de meest gehate persoon onder de plantagearbeiders: Hindostanen, Afro-Surinamers, Chinezen en Barbadianen (uit Barbados). Hij liet deze arbeiders om de minste en geringste arbeidsovertreding zwaar straffen: martelen met kromsluiting en rottingslagen. Dat gebeurde gedurende de gehele migratieperiode. Barnet Lyon ontving uit alle districtsgevangenissen geregeld rapporten van gestrafte arbeiders over de strafmaat en de duur van de straffen. Bron: Min van Kol: 1850 -1900; Geheim Resolutien A8-G9 1884; Inv. 6152. Het kan niet genoeg benadrukt worden dat Barnet Lyon niet alleen een meedogenloze onderdrukker was van Hindostanen, maar ook van vrije Afro-Surinaamse en Chinese arbeiders. Bhagwanbali zal dat in zijn toekomstige publicaties nog eens uiteenzetten.

Barnet Lyon was een voorstander van hard optreden tegen contractarbeiders die in verzet kwamen. Hij beschouwde het militaire optreden op plantage Zorg en Hoop als gerechtvaardigd en professioneel. Hij rapporteerde dat “gesneuvelden elk door één kogel werden gedood van een afstand van 1 á 1,5 meter van de soldaten”. Die liquidaties schreef hij toe aan de “door de contractarbeiders veroorzaakte wanordelijkheden”. Daarbij zijn volgens hem “de militaire autoriteiten niet anders dan met kalmte en bezadigdheid te werk gegaan”. Bron: Min. Van Kol: 1850 -1900; Resolutien: 1 – 3 december 1884; Inv. 3813.

Barnet Lyon probeerde als voorzitter van een onderzoekcommissie de wantoestanden onder gevangenen in het fort Nieuw Amsterdam te verdoezelen. Het overgrote deel van de gevangenen raakte verlamd door slechte medische zorg en hygiëne. Volgens Barnet Lyon was dat slechts bij slechts één gevangene het geval. Later werd zijn rapport door dr. Schelky finaal onderuit gehaald. Bron: Min van Kol 1850 -1900;Resolutien: 19 – 21 nov. 1889; Inv. nr.4317.

De Britse consul vond Barnet Lyon als de meest ‘onoordeelkundige ambtenaar’. Dit naar aanleiding van het laten neerschieten van 7 contractarbeiders, waaronder 3 vrouwen door de marechaussee. Bron: Verbaal van de Gouverneur van Suriname. Afdeling Kabinet Geheim; Eerste afdeling: 1885 – 1938.

Barnet Lyon was hoofdverantwoordelijke voor de moord op de Hindostaanse contractarbeiders op plantage Marienburg. Volgens hem waren de Hindostanen bezig met een machtsgreep. Zij hadden contact met Bharat Mitra: een tijdschrift van de vrijheidsstrijders in India. Daarom moest de opstand op plantage Marienburg heel hard worden aangepakt. Bron: Min. Van Kol 1850 – 1900; Resolutien: 13 – 19 september 1902; Doosnr. 142 inv nr 8285 en 8286.

De archieven bevatten ook meer specifieke info over Barnet Lyon en zijn houding ten aanzien van Chinezen en Creoolse vrije arbeiders: zie Min. Van Kol 850 -1900; Geheim Resolutien P4 – Q9 Inv. nr. 6152.

De algemene conclusie is dat het beeld dat de pleegzoon van Barnet Lyon heeft geschapen in de Hindostaanse gemeenschap van zijn pleegvader als een “koelie papa”, een vader voor de Hindostanen, niet klopt met de rauwe werkelijkheid waarin Hindostaanse contractarbeiders onder zijn bestuur hebben moeten leven. Zijn borstbeeld was onderdeel van de vervalsing van de geschiedenis van Hindostanen. Daarom is het goed dat dit beeld is verwijderd.

Hoe moeten we dan verklaren dat Hindostanen geld bij elkaar hebben gebracht voor het borstbeeld? Het antwoord is simpel: het is een kwestie van mental slavery. Mental slavery bestaat en het is heel zichtbaar. Mental slavery is het verschijnsel waarbij de gekoloniseerde de kolonisator gaat bedanken voor zijn aanwezigheid, zijn glimlach, zijn kleur, zijn alles met als doel om de onderdrukking en uitbuiting waarvoor hij verantwoordelijk is te vergeten. Malcolm X gebruikte de term “House Negro” om dit soort figuren aan te duiden. Ze zitten in een positie van relatieve macht. Sitalpersad was de pleegzoon van Barnet Lyon. Hij was ook tolk, een belangrijke functie in die tijd. Hij was een sleutelfiguur in de Hindostaanse gemeenschap en was dus in staat om de gemeenschap te mobiliseren om zijn pleegvader te bedanken. Daarbij moest hij aan geschiedvervalsing doen. Hij moest zwijgen over de misdaden van zijn pleegvader en hem ophemelen. Door die positie van macht kon hij de middelen en de mensen mobiliseren voor het standbeeld.

Bij de afschaffing van slavernij in 1863 hebben de ex-totslaafgemaakten massaal dank betuigd aan Willem III omdat hij de wet ondertekende die slavernij heeft afgeschaft. Er werden lofliederen gezongen voor de koning. Maar daarbij werd niet verteld dat in de wet stond dat de daders van een misdaad tegen de menselijkheid een geldelijke compensatie kregen en de slachtoffers met lege handen kwamen te staan. Die bepaling stond in de Nederlandse tekst van de wet, maar is weggelaten in de Sranan Tongo versie. De organisatie van geheugenverlies is een mechanisme van mental slavery. Op een soortgelijke wijze heeft Sitalpersad geheugenverlies georganiseerd door te zwijgen over de misdagen van zijn pleegvader en door hem te presenteren als de koelie papa.

Ook de geschiedschrijving van Suriname is vervalst op verschillende manieren. Het ontkennen van mental slavery is één manier. Het zwijgen van Hassankhan over de misdaden van Barnet Lyon is een andere. De hier bovengenoemde bronnen is Hassankhan niet onbekend. Ze zijn openbaar. Iedere historicus kent ze. Iedereen kan ze raadplegen. Maar je moet de koloniale bril afzetten die verhindert dat je de misdaden ziet en je dwingt om naar de kleinste detail te zoeken waarmee je de kolonisator lof kan toezwaaien. Mensen in Suriname vragen zich terecht af: waarom heeft Maurits Hassankhan die decennialang een sleutelrol heeft gespeeld in het geschiedenisonderwijs en talloze mensen heeft getraind, nooit het verhaal van Tetary naar boven gebracht. Het is niet omdat hij en de mensen die hij getraind heeft de bronnen niet kent. Het is vanwege de koloniale bril die hij heeft overgedragen heeft aan zijn studenten. Sommigen, zoals Radjinder Bhagwanbali, zijn erin geslaagd om die bril af te zetten.

Hassankhan doet in de 21ste eeuw wat Sitalpersad in de 20ste eeuw heeft gedaan: de rol vervullen van de “trouwe Hindostaan” die de hele dag bezig is om zijn meester te bedanken voor diens aanwezigheid in zijn koloniale geest.

Voor de nieuwe generatie Surinamers en historici is het tijd om het juk van mental slavery af te werpen en in de voetsporen te treden van die jonge vrouw genaamd Janey Tetary, die heeft gedurfd wat veel oude mannen als Sitalpersad en Hassankhan nooit hebben gedurfd: anti-koloniale strijd leveren voor waardigheid en zelfrespect.

Hardeo Ramadhin, een andere “trouwe hindostaan”, heeft in Dagblad Suriname deel I gepubliceerd van zijn kritiek op dekoloniale historici. We wachten de afronding van zijn meerdelige serie af voordat we op zijn kritiek antwoorden.

Lezing Sandew Hira over kolonialisme en geschiedenisonderwijs

Op zaterdag 9 september organiseert Antaru i.s.m. Keti Koti werkgroep en A.R.G. een lezing van Sandew Hira over de gevolgen van het koloniaal verleden voor het geschiedenisonderwijs.

  • Hoe heeft ons geschiedenis-onderwijs onze geest gevormd ?
  • Welke concepten zijn opgenomen in de lessen geschiedenis en bepalen ons beeld van de multiculturele samenleving ?
  • Wat kunnen we doen om dat beeld te veranderen ?

Locatie:  MFA Het Kruispunt

Adres:  Sinopelstraat 1, Tilburg

Datum:  Zaterdag  9 september

Tijd:  13.30 – 17.30 uur

Deelname: gratis

Bereikbaar: bus 7 richting West  halte  Kruidenlaan

Info: Roos van Abeelen-Tecla  tel. 0134681167, Carla Vlottes  tel. 0135400230

 

Vijf misvattingen over terrorisme

Sheher Khan

In het publieke debat en discours over terrorisme zijn een aantal mythes en misvattingen ingeslopen en die voor waar worden aangenomen. Denk hierbij aan de gedachte dat alle aanslagen in het westen gepleegd worden door al-Qaida, Daesh en de gelijken (vanaf nu takfiri terrorisme) en dat er sprake zou zijn van een ‘gouden tijdperk van terrorisme’. Hieronder zal ik met behulp van feitelijke documentatie een vijftal van die misvattingen uit de wereld helpen:

  1. Alle aanslagen in de westerse wereld worden gepleegd door takfiri terroristen;
  2. De meeste slachtoffers van terroristisch geweld vallen in de niet-westerse wereld, maar is de schaal bekend?
  3. Er worden steeds meer terroristische aanslagen gepleegd in West-Europa, met name na 9/11;
  4. De onderschatte dreiging van extreemrechtse terreur;
  5. De sterk overschatte rol van vluchtelingen en nieuwkomers in terrorisme .
  6. Takfiri terrorisme zijn in de minderheid

Terrorisme is (in het westen) niet het exclusieve domein van al-Qaida, Daesh en de gelijken. De meerderheid van de aanslagen worden namelijk niet gepleegd door takfiri terroristen. Sterker, van 2006 en 2013 betrof het in de Europese Unie (EU) een insignificant aantal, namelijk: 0.7%. Volgens Europol kwam in die periode de meeste dreiging vanuit separatistische hoek. In het opvolgende jaar (2014) was één aanslag gepleegd door een takfiri terrorist; in 2015 was dat 17 op een totaalaantal van 121; en in 2016 zakte dat naar 13 van de 142 aanvallen. In het jongste rapport van Europol (2017) wordt nogmaals geconstateerd dat de meeste aanslagen (99 van 142) op naam komen van separatistische bewegingen. Denk hierbij aan afscheidsbewegingen als de IRA, ETA en PKK. De Ierse separatistische groepering Dissident Republicans, ook wel de ‘nieuwe IRA’ genoemd, maakte bijvoorbeeld één dodelijke slachtoffer in maart 2016, toen ze een explosief onder een busje van een gevangenisbewaarder lieten afgaan. Een ander voorbeeld: Britse politica Jo Cox was in juni 2016 om het leven gebracht door rechtse extremist Thomas Mair vanwege haar standpunt m.b.t. Brexit.

Eenzelfde beeld is te zien in de Verenigde Staten (VS). Uit cijfers van de FBI blijkt dat 94% van de terroristische aanslagen, in de periode van 1980 tot 2005, gepleegd waren door daders zonder een islamitische profiel. Een studie ondernomen door de National Consortium for the Study of Terrorism and Responses to Terrorism kwam tot de conclusie dat tussen 1970 en 2011 slechts 7% van alle aanslagen gepleegd waren door terroristen met een “religieuze overtuiging” (hierbij verwijzend naar al-Qaida en de gelijken). Het grootste percentage (32%) maakte groepen op die gemotiveerd werden door een etnonationalistische of een separatistische agenda, vervolgens 28% door single-issues (als dierenrechten of anti-oorlog), 22% extreemlinks en 11% extreemrechts. Een bekend voorbeeld is de slachtpartij aangericht door witte nationalist Dylann Roof. De 21-jarige suprematist richtte zijn geweer op Afro-Amerikaanse kerkbezoekers in Charleston en ontnam daarbij negen levens.

Niettemin, de aanslagen gepleegd door takfiri terroristen van de afgelopen jaren waren wel erg dodelijk. Bij de gewelddaden in Brussel (2016) kwamen 32 burgers om, Nice (2016) 84 en Parijs (2015) 130. Daarmee komt het gros van de slachtoffers in de afgelopen jaren op conto van takfiri terroristen – in de periode 2000 – 2013 tot 40% van alle doden door terrorisme. In het afgelopen jaar zelfs bijna alle doden (135 slachtoffers uit een totaal van 142).

In conclusie: takfiri terroristische aanslagen zijn erg dodelijk, maar is niet het enige gevaar. Extreemrechtse, separatistische en etnonationalistische groeperingen vormen ook een sterke dreiging.

  1. De grootte van de dodelijke gevolgen van terrorisme in de niet-westerse wereld
    Waarschijnlijk is het bij het grote publiek bekend dat voornamelijk de niet-westerse wereld gebukt gaat onder de dodelijke gevolgen van terrorisme. De vraag is echter of de werkelijke schaal bekend is. Een onderzoeksartikel van de Washington Post biedt daarover duidelijk: “Since the beginning of 2015, the Middle East, Africa and Asia have seen nearly 50 times more deaths from terrorism than Europe and the Americas” de Washington Post. Met de grafiek hieronder worden die verhoudingen hieronder gevisualiseerd:

Dodelijke slachtoffers van terrorisme wereldwijd (periode 2001-2014)

Bron: Huffington Post (2015)

De top drie bestaat uit moslimmeerderheid landen. Het eerste westers land op de lijst is de VS op #7. Wanneer 9/11 uit de data wordt gehaald, dan blijft er géén enkel westers land in de top tien over. En ter vergelijking: bij alle door Daesh gepleegde terroristische aanslagen in de westerse wereld (53) kwamen 425[1] om. Terroristisch geweld is dus voornamelijk een probleem voor de niet-westerse wereld.

Hoe komt het dat er onduidelijkheid heerst m.b.t. de schaal van terrorisme in de westerse en niet-westerse wereld? Volgens socioloog Sean Darling-Hammond te maken met de mediaberichtgeving (of het gebrek daaraan). Darling-Hammond verzamelde data van elk van de 300 gerapporteerde terroristische aanslagen in het jaar 2015. Hij constateerde het volgende over het aantal artikelen toegewijd aan terroristische aanslagen in november 2015: 392 mediaberichten over de aanslag in Baghdad; 1.292 aan Beiroet en meer dan 21.000 over de gewelddaad in Parijs. De onderzoeker concludeert logischerwijs dat westerse slachtoffers disproportioneel meer aandacht krijgen dan hun medelotgenoten in de niet-westerse wereld.

Er valt nog iets op gekeken naar de cijfers hierboven: de top tien bestaat veelal uit landen die of onderwerp waren van de door de VS geleide Global War on Terror of de bijgevolgen ervaren. Dat komt beter naar voren in onderstaande grafiek:

Doden door terrorisme wereldwijd

Bron: economist.com

 

Neem Irak. De VS viel het Arabisch land binnen in 2003 op grond van twee redenen: 1) de toenmalige leider, Saddam Hoessein, zou chemische wapens in zijn bezit hebben en 2) hij zou onderdak bieden aan al-Qaida – beide claims bleken ongegrond te zijn. De gevolgen van de invasie waren echter zeer reëel: elf jaar na de illegale inval, in 2014, werden meer Irakezen slachtoffer van terroristisch geweld dan het totale wereldaantal (!) in 2001 – het jaar waarin 9/11 plaats vond en de start betekende van de Global War on Terror. Irak – waar vóór 2003 géén zelfmoordaanslagen geregistreerd waren – is compleet gedestabiliseerd geraakt door de illegale invasie en sindsdien zijn meer dan 40.000 doden gevallen door terroristisch geweld.

Waarom ontbreken deze cijfers in het publieke discours? Volgens intellectueel Noam Chomsky heeft dat niet alleen te maken met een gebrek aan media-aandacht, maar een politieke cultuur waarin onderscheid gemaakt wordt tussen waardige – en onwaardige slachtoffers. Chomsky legt dat uit met het volgende voorbeeld: in 2007 werd een poll gehouden onder burgers in de VS waarbij gevraagd werd om het totale aantal doden in Irak te schatten. De mediaan lag op 10.000. Het werkelijke lag in die tijd tussen de 150.000 en 650.000 doden. Dit verschil in perceptie komt volgens Chomsky als gevolg van een gerichte campagne om zoveel berichtgeving over de (dodelijke) burgerslachtoffers te onderdrukken. Hierdoor probeert de VS te voorkomen dat hun rol in de bezetting en oorlog niet onderwerp van discussie wordt.

Wanneer worden burgerdoden wél als waardig beschouwd? Dat is wanneer ze de agenda van Washington vooruit kunnen helpen. Case in point: hoe Obama middels de dreiging van Daesh weer ‘boots on the ground’ wist te krijgen in Irak. In 2011 weigerde de toenmalige president Nouri al-Maliki om het verblijf van het Amerikaanse leger te verlengen. Dat leidde tot onvrede en verzet in Washington die het liefst zouden willen blijven in Irak. Toen in 2014 Daesh op de westerse radar kwam en burgers wereldwijd bedreigde, werd dat gevaar gebruikt om het aantal Amerikaanse troepen in Irak toe te laten nemen. Daarmee werden de (potentiële) slachtoffers van Daesh gebruikt om het buitenlandbeleid van Washington te rechtvaardigen.

  1. Neerwaartse trend doden terrorisme in West-Europa
    Er vallen steeds minder doden door terrorisme in West-Europa. Dit staat in contrast met de doemscenario’s die sommige experts schetsen van een mogelijke “gouden tijdperk van terrorisme”. Dat is in het geval van West-Europa incorrect. Er is eerder sprake van een neerwaartse trend, zie de grafiek hieronder:

Doden door terroristische aanvallen in West Europa (periode 1970-2015)

Bron: Datagraver.com

Bovenstaande cijfers laten duidelijk zien dat er in de periode na 9/11 aanzienlijk minder dodelijke slachtoffers zijn gevallen dan in de 21 jaar daarvoor. Die trend begon na de Val van de Berlijnse Muur (1989) en zette zich sindsdien voort uitgezonderd uitschieters als Madrid (2004) en Londen (2005).

Verder, als we de doden in Europa uitsplitsen tussen west en oost, is op te merken dat de meerderheid van de slachtoffers in de afgelopen 15+ jaar vielen in het oostelijk deel van de continent (zie hieronder):

Doden door terrorisme per maand: West- versus Oost-Europa

Bron: Washington Post

Volgens experts wordt dat verklaard door het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en de (langdurige) gevolgen van conflicten die (mede) daaruit ontstonden. Denk hierbij aan de conflicten in Joegoslavië, Tsjetsjenië en Oekraïne. De map hieronder laat zien hoe die aanslagen verdeeld zijn in Europa tussen 1970 en 2015:

Geografische verdeling terroristische aanslagen in Europa tussen 1970 en 2015

Bron: Washington Post

Anders gezegd: de heersende gedachte dat de meeste doden vallen in en aanslagen gepleegd worden in het westelijk deel van Europa wordt niet ondersteund door de actuele verdeling van de dodelijke terroristische aanslagen; dat is namelijk in Oost-Europa het geval. Een voorbeeld is de Vakbondsgebouw-aanslag in Odessa (Oekraïne) van 2 mei 2014. Daarbij werden 46 mensen vermoord door de neonazistische Pravy Sektor vanwege hun pro-Russische affiliaties.

  1. Groeiende dreiging extreemrechts geweld
    De dreiging vanuit extreemrechtse hoek is echter niet voorbehouden aan Oost-Europa. In West-Europa en Noord-Amerika zijn terroristische gewelddaden door extreemrechtse terroristen in de opmars. Een recente studie concludeerde dat 1/3 van alle zogeheten lone-wolf terroristen in Europa van extreemrechtse slag zijn.

In de VS zijn soortgelijke bevindingen geconstateerd. Volgens denktank New America zijn er bijna twee keer meer slachtoffers gevallen, in de periode 9/11 tot 2015, door witte suprematisten dan door takfiri terroristen.

Die conclusie wordt verder ondersteund door een recent onderzoek (2017) van het hoogste auditorgaan van de Verenigde Staten – het Government Accountability Office (GAO). Het GOA concludeert dat extreemrechts verantwoordelijk is voor de bulk van de dodelijke terroristische aanslagen, namelijk: 73% tegenover 27% door takfiri terrorisme.

Echter, wanneer terroristische aanslagen worden uitgezet in termen van dodelijke slachtoffers zien we hetzelfde als in Europa: takfiri terroristen zijn verantwoordelijk voor de meeste doden. Dit doet verder niks af van de reële en groeiende dreiging van extreemrechts terrorisme. De gevallen van Breivik, Tristan van der Vlis en Dylann Roof zijn relatief bekend, maar met de volgende voorbeelden wordt dat gevaar nogmaals benadrukt:

  • In 2013 werd de 82-jarige Mohammed Saleem neergestoken door een extreemrechtse terrorist terwijl hij thuiskwam van een moskeebezoek. Saleem overleed snel daarna. Een zelfde lot overkwam de 81-jarige Brits Muhsin Ahmed twee jaar later. In het opvolgende jaar in 2016 werd Labour-politica Jo Cox neergeschoten door een extreemrechtse terrorist vanwege haar politieke positie inzake Brexit;
  • In de VS zijn alleen al in de afgelopen vijf jaar moslims en Afro-Amerikanen vermoord – en in sommige gevallen zelfs geëxecuteerd – door witte racisten vanwege hun religieuze en/of etnische Ook andere (religieuze) minderheidsgroepen als hindoes en sikhs zijn doelwit geweest van extreemrechtse terreur, vaak omdat laatstgenoemde hen verwarren en/of aanzien als moslims;
  • In 2016 werd in Nederland een terroristische aanslag gepleegd op een moskee door een groepje van vijf extreemrechtse racisten.
  • In Griekenland werd in 2016 een vluchtelingenkamp aangevallen door een groep extreemrechtse racisten;
  • Begin 2017 viel een extreemrechtse terrorist een moskee aan in het Canadese Quebec. De dader schoot op de moskeegangers terwijl ze aan het bidden waren en doodde daarbij 6 burgers.

Kortom, dit select overzicht maakt duidelijk dat extreemrechtse terreur niet alleen in opmars is, maar breed in de westerse wereld voorkomt.

  1. Rol vluchtelingen en nieuwkomers overschat
    De instroom van migranten en vluchtelingen leidt automatisch tot meer (terroristische) dreiging. Ten eerste, de rol van migranten en vluchtelingen in aanslagen zijn beperkt. Het in Den Haag gevestigde onderzoeksinstituut ICCT onderzocht (2017) alle door Daesh gepleegde in het westen en concludeerde dat 73% van alle aanslagplegers burgers van hetzelfde land zijn waar zij hun geweld in praktijk brengen. Nog een 14% waren bezoekers of inwoners met een (legale) verblijfsstatus. 6% verbleven in het land zonder documentatie en slechts 5% waren vluchtelingen of statushouders (zie hieronder).

Grafiek afkomst aanslagplegers

Bron: ICCT (2017)

De dreiging vanuit vluchtelingen of statushouders bestaat dus maar is miniem. De overgrote meerderheid van het gevaar (95%) komt van burgers of ingezetenen met een legale verblijfsstatus. Het ICCT onderzoek wordt ondersteund door een studie van de Britse denktank The Henry Jack Society. Zij (2017) constateren dat bij meer dan twee derde van de aanslagen sinds 2005 uitgevoerd zijn door individuen die “who were either born or raised in the UK.”. De New America Foundation stelt in het geval van de VS “every jihadist who conducted a lethal attack inside the United States since 9/11 was a citizen or legal resident”. Een ander recent onderzoek, uitgevoerd onder leiding van politicoloog Robert Pape, komt tot gelijke bevindingen. In het onderzoek genaamd American Face of ISIS waren bij 112 van de Daesh gerelateerde misdrijven nul vluchtelingen betrokken. Libertarische denktank Cato onderzocht die verhouding ook en komt tot de conclusie dat immigranten en vluchtelingen praktisch geen rol hebben gespeeld bij terroristische aanslagen. Vrijwel alle doden komen uit één single gebeurtenis: 9/11 (98.6%). Afgezien daarvan zijn fatale terroristische aanslagen door immigranten of vluchtelingen extreem zeldzaam.

Met recente aanslagen als Berlijn (2016), Ansbach (2016) en Kopenhagen (2016) is het aandeel van nieuwkomers in aanslagen wél gestegen. Volgens het ICCT is de instroom van vluchtelingen en migranten an sich niet het probleem, want: “the number of criminals and terrorists in mass migration movements has been low” en “terrorists often have a criminal background to begin with”. Daesh focust haar operaties vooral in de strijd in Irak en Syrië en de nieuwkomers en immigranten ontvluchten die brandhaarden juist omdat ze tegen de terreurgroepen zijn. De focus daarom zou moeten zijn op propere regulatie.

Ten tweede, het probleem zijn niet de migranten en of vluchtelingen, maar ontstaat het volgens Brookings Institute wetenschapper, Daniel L. Byman, pas als nieuwkomers in contact komen met lokale reeds geradicaliseerde groepen (zogeheten “radicalization hubs”).

Inderdaad, dat zien we in het geval van de 22-jarige Syrische statushouder, Jaber al Bakr, die in oktober 2016 gearresteerd werd op grond van het plegen van een aanslag.

Jaber al-Bakr kwam in februari 2015 aan in Duitsland en ontving status vijf maanden later. Volgens de broer van al-Bakr, Alaa al-Bakr, kwam was Jabr vóór aankomst in Duitsland niet politiek actief of geïnteresseerd. Dat veranderde na aankomst. In Berlijn kwam Jabr al- Bakr in aanraking met extremisten. Een lokale imam zou hem in contact hebben gebracht met en aangespoord om te vechten voor Daesh in Raqqa (Syrië). In september 2015 vertrok Bakr uit Duitsland naar Syrië via Turkije, waar hij ongeveer vijf maanden verbleef en vervolgens twee in Syrië. Op zijn persoonlijke Facebook-pagina is te zien dat al-Bakr vanaf januari 2016 zich begon te sympathiseren met Daesh. Ongeveer twee maanden voordat Jabr zijn gewelddaad wilde plegen werd hij opgepakt door de Duitse autoriteiten. Een andere Syrische statushouder hield hem aan en droeg Jabr vervolgens over (waarna de verdachte zichzelf later ophing in zijn cel).

De conclusie is dat de overgrote meerderheid van de IS-daders burgers van het land waar ze een aanslag in plegen zijn. Slechts een miniem aantal van de IS-aanslagplegers zijn nieuwkomers of ongedocumenteerden. Indien de wens is om terrorisme tegen te houden zou daarom meer aandacht gevestigd moeten worden op lokale geradicaliseerde groepen in plaats van grensbewaking, en in het verlengde daarvan: wáárom extremisten überhaupt voedingsbodem kunnen vinden in westerse samenlevingen.

[1] Volgens het ICCT (2017) kwamen 395 westerse burgers om door Daesh van juni 2014 tot juni 2017. Bij de Manchester-aanslag kwamen 22 burgers om en de daaropvolgende aanslag in Londen ontnam van 8 burgers het leven.

Manchester-aanslag als blowback van westerse interventie

Sheher Khan,  9 juli 2017

In 2011 ontstond kans voor het westen om Gaddafi te verdrijven. Dat was het moment dat de Arabische Opstand aankwam in Libië. In het licht van die doelstelling werden rebellengroepen gesteund die dat konden bewerkstelligen, waaronder ervaren al-Qaida gelieerde doodseskaders als de Libyan Islamic Fighting Group (LIFG).  Om dat doel verder te ondersteunen deden Europese staten de poorten open voor burgers die wilden meestrijden tegen de toenmalige Libische leider.

Na de lynching van de gemeenschappelijke vijand werd er een nieuw doel voor de extremistische rebellen gezocht. Die vonden ze in Syrië. De takfiri terroristen sprongen over naar Syrië om daar te strijden tegen Bashar al-Assad. Al snel kwamen de takfiri terroristen de Syrische oppositie te domineren en dat creëerde op haar beurt weer de rechtvaardiging voor het westen om militair te interveniëren. Bij die westerse luchtaanvallen in Syrië (en Irak) – in 2016 meer dan 26.000 – zijn vele onschuldige levens gevallen, vaak kinderen. Daarmee vestigden de westerse staten de aandacht van takfiri terroristen op zichzelf – en dat hebben ze sinds in de afgelopen jaren ook gedaan, zoals Charlie Hebdo, Brussels en meest recentelijk Manchester.

De Manchester-aanslag kan derhalve geïnterpreteerd worden als een typisch geval van blowback. Salman Abedi, de man die zich op 23 mei opblies in Manchester en 22 (vooral jonge) levens met zich meenam, was een product van NAVO’s agressie jegens Libië in het kader van de Global War on Terror.

NAVO-agressie opent deuren voor al-Qaida in Libië

In 2011 lanceerde de NAVO (in samenwerking met regionale partners als Qatar, Turkije en andere bevriende naties) militaire operatie in Libië. Het beoogd doel was om burgers te beschermen tegen de (vermeende) agressie van Gaddafi. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat die aanklachten tegen de toenmalig Libische leider ongegrond waren. Er is namelijk géén bewijs dat Gaddafi van plan was om een genocide te plegen en dat was wel de basis waarop de militaire interventie gerechtvaardigd was (lees bijvoorbeeld dit Brits parlementair rapport). Voormalig president Obama werd gekozen op een platform dat haaks stond tegenover het agressieve buitenlandbeleid van Bush, maar deed daarmee in essentie exact hetzelfde als zijn voorganger: een soevereine binnendringen onder valse voorwendselen en de legitieme regering omverwerpen.

In het kader van die doelstelling werden allerlei groeperingen gesteund die Gaddafi’s machtsbasis kon doen wankelen. Uit een rapport van de International Crisis Group komt naar voren dat de twee meest invloedrijke oppositiegroepen toentertijd gelinkt waren aan al-Qaida, waaronder de Libyan Islamic Fighting Group. Deze terreurgroep staat jarenlang op de terroristenlijst van landen als Libië, het VK, de VS en VN. Saillant detail: volgens een klokkenluider gaf de Britse inlichtingendienst eind jaren 90 nog steun aan de terroristische LIFG om Gaddafi te liquideren. Dat ze dat later, in 2011, nogmaals deden komt derhalve niet aan als een verrassing. Het aparte is wel dat ze in 2005 op de Britse terroristenlijst geplaatst waren.

Ondanks de problematische achtergrond van de LIFG werden ze opgenomen als onderdeel van de rebellen tegen Gaddafi. Ook zaten ze in het officiële oppositieorgaan genaamd de Transitional National Council; dat was toegegeven door het (Noord-)Amerikaanse Ministerie van Binnenlandse Zaken in 2012; de Libyan Islamic Fighting Group kwam toen de Libyan Islamic Movement for Change te heten. Het feit dat één van hun voormannen, Abdulhakim Belhaj, een veroordeelde al-Qaida terrorist was weerhield de VS en het VK niet om met ze in alliantie te gaan. Belhaj kreeg zelfs hoog bezoek van voormalig presidentskandidaat John McCain en ging met hem op de foto.

Abedi en LIFG

De familie van zelfmoordterrorist Salman Abedi was zelf ook gelinkt aan de LIFG. The Guardian berichtte dat de vader van Abedi meestreed met de terreurgroep tijdens de opstand tegen Gaddafi. Ook begaf Abedi zich volgens de Britse politie in een netwerk van LIFG-sympathisanten en leden. De Britse Telegraph rapporteerde dat een aantal leden van de LIFG dichtbij in de buurt woonde van Abedi. Eén van hen was Abdal Baset Azzouz:

Abd al-Baset Azzouz, a father-of-four from Manchester, who left Britain to run a terrorist network in Libya overseen by Ayman al-Zawahiri, Osama bin Laden’s successor as leader of al-Qaeda. Azzouz, 48, an expert bomb-maker, was accused of running an al-Qaeda network in eastern Libya. The Telegraph reported in 2014 that Azzouz had 200 to 300 militants under his control and was an expert in bomb-making.

Abedi zelf was vermoedelijk ook in contact gekomen met al-Qaida’s tak in Libië. Nadat de opstand tegen Gaddafi begon in 2011, reisde hij meermaals heen en weer van zijn thuisland naar het Noord-Afrikaanse land. Volgens NBC News kreeg hij daar zijn training van al-Qaida. Sterker, Libische autoriteiten meldden dat Abedi (en zijn broer) contacten hadden met Daesh – laatstgenoemde kon voet aan Libische grond krijgen mede dankzij de instabiliteit die ontstond na NAVO’s militaire interventie.

Rat line

Het verhaal van Abedi staat echter niet op zichzelf: vele Britse Libiërs konden vrijuit heen en weer reizen van Engeland naar Libië. Middle East Eye bericht dat ze in die onderneming zelfs gesteund waren door de Britse veiligheidsdiensten. Een aantal Britse Libiërs hebben dat bevestigd tegenover het medium. Eén (anonieme) bron beweert dat hij niet naar Irak kon reizen, omdat de autoriteiten vreesden dat hij zich zou aansluiten bij één van de terreurgroepen, maar die angst was er niet in relatie tot Libië. Hij zegt tegen het online medium: “I was allowed to go, no questions asked”. Volgens de bron was hij niet de enige. Vele strijders, waaronder LIFG-leden, overkwam hetzelfde.

Belal Younies, een andere Brit die naar Libië afreisde, heeft gelijke ervaringen. Hij werd op het vliegveld aangehouden onderweg naar Libië en ondervraagd daarover door twee counterterrorisme officiers. Vervolgens deelde Younies mee dat hij toestemming gekregen had van een MI5 officier (Britse binnenlandse dienst). Daarna kreeg Younies groen licht van de douane om door te reizen. Volgens Younies vond MI5 het geen probleem dat hij van plan was om naar Libië te reizen op voorwaarde dat hij zou strijden tegen de regering van Gaddafi. Het feit dat het gros van deze Libiëgangers leden waren van de aan al-Qaida gelieerde LIFG, of aan deze groep zouden aansluiten in Libië, werd niet gezien als een probleem. Zolang ze maar streden tegen de gemeenschappelijke vijand. Deze terroristenpijplijn naar Libië werd ook wel de rat line genoemd.

Getriggerd door westers buitenlandbeleid

Salman Abedi werd geprikkeld om de aanslag in Manchester te plegen na het zien van beelden van dode Syrische kinderen. Langzamerhand begon hij te radicaliseren. De familieleden, omstanders en moskee lieten aan de autoriteiten weten dat Abedi extremistische neigingen toonde. Volgens de zus van Abedi trok het zien van dode Syrische kinderen door westerse luchtaanvallen hem over de streep.  Waarschijnlijk wilde Abedi zijn gram halen door kinderen in het Verenigd Koninkrijk te doden. Deze tragisch gebeurtenis laat nogmaals zien dat niet religie, maar politiek mensen drijft tot terrorisme.

Manchester-aanslag: NAVO’s blowback

De door NAVO geleide militaire interventie in Libië creëerde ruimte voor de al-Qaida gelieerde Libyan Islamic Fighting Group om te groeien. In de nasleep van de interventie konden ook groepen als Daesh hun plek in het door oorlog geteisterde land opeisen. Een ander gevolg was dat Libië (net als Syrië) omgevormd is tot een school voor takfiri terrorisme. Verwarde Europese jongeren als Salman Abedi komen er geradicaliseerd in en uit als professionele terroristen. Ze zijn vervolgens voldoende opgeleid om slachtpartijen aan te richten.

De trigger is vaak (bloedige) westers beleid in het Midden-Oosten – en in het geval van Abedi de westerse luchtaanvallen in Syrië. De Manchester-aanslag van 22 mei is het jongste (maar niet enigste) voorbeeld daarvan. Eerdere vergelijkbare gebeurtenissen was de aanslag in Parijs of Brussels. Ook daar was te zien dat de oorlog in Libië en Syrië diende als een radicaliseringsplatform voor terroristen én dat westerse interventie hen overtuigde en motiveerde om in revanche aanslagen te plegen in Europa en elders.

De link met NAVO’s militaire interventie en de Global War on Terror wordt daarmee duidelijk: zonder NAVO’s interventie in Libië, diens steun aan al-Qaida gelieerde doodseskaders én westerse luchtaanvallen in Syrië, géén aanslag in Manchester.

 

p.s. Na de aanslag in Manchester volgde die van London. Zie mijn analyse daarvan door hier te klikken.